Instellingen

1


Wanneer een man een vrouw neemt

en haar meester wordt,-
geschieden zal het
als ze geen genade vindt in zijn ogen
omdat hij haar heeft aangetroffen in een zaak van naaktheid:
schrijven zal hij voor haar
   een akte* Letterlijk: briefrol of boekrol. van scheiding,
   haar die in de hand geven

en haar heenzenden uit zijn huis.

2


Vertrekken zal ze uit zijn huis,-

heengaan en wezen voor een andere man.

3


Is de latere man

haar gaan haten,-
zal hij voor haar
   een akte van scheiding schrijven,

haar die in de hand geven
en haar heenzenden uit zijn huis,-
of wanneer de latere man sterft
die haar zich tot vrouw genomen heeft,

4


dan is het onmogelijk dat haar eerdere heer,
   die haar heeft heengezonden,
   haar weer neemt
   en zij hem tot vrouw wordt

nádat zij zich heeft laten verontreinigen;
want, een gruwel is dat
   voor het aanschijn van de Ene;

je mag het land niet laten zondigen
dat de Ene, je God,
je als erfdeel geeft.
••

5


Stel, een man neemt een nieuwe vrouw,

dan zal hij niet uittrekken in de strijdschaar
en men zal niet bij hem in-en-uitlopen
   voor welke zaak ook,-

vrij
zal hij wezen voor zijn huishouden,
   één jaar lang,

verheugen zal hij de vrouw
   die hij heeft genomen!

••

6


Nooit mag men op molenstenen
   beslag leggen, of op de roller,-

want op lijf-en-ziel legt men dan beslag!
••

7


Wanneer iemand wordt aangetroffen
   als dief van een levende ziel,
   van een van zijn broeders
   uit de zonen Israëls,

en hij heeft hem gebrutaliseerd en verkocht,-
sterven zal die dief;
wegbranden zul je het kwaad uit je kring!

8


Waak erover bij een plaag
   van Egyptische ziekte
   om zeer waakzaam te zijn en om te doen

naar al wat de priesters, de levitische,
   u zullen leren,-
   zoals ik hun heb geboden
   zult ge waken om te doen.

••

9


Gedenk

wat de Ene, je God,
   gedaan heeft aan Mirjam,-

onderweg bij uw uittocht uit Egypte!
••

10


Wanneer je aan je naaste iets uitleent,
   een lening van hoe-weinig-ook,-

kom je niet zijn huis binnen
   om zijn onderpand als pand te nemen;

11


buíten blijf je staan,-

en de man
aan wie je hebt geleend
brengt zelf het pand tot jou, buiten!

12


En als hij een behoeftig man is,-

leg je dan niet neer met zijn pand;

13


terug, ja terugbrengen zul je hem het pand
   als de zon thuiskomt,

neerliggen zal hij in zijn eigen mantel
   en jou zegenen;

en het zal voor jou gerechtigheid wezen
voor het aanschijn van de Ene, je God.
••

14


Je zult een behoeftige en arme dagloner
   niet afpersen,-

of het nu een van je broeders is
of een zwerver-te-gast bij je in je land,
   in je poorten.

15


Op de dag zelf geef je hem zijn loon,-
   daarover mag de zon niet ondergaan;

want een behoeftige is hij,
en dáárnaar
heft hij zijn ziel op;
laat hij niet over jou hoeven roepen
   tot de Ene,

anders zal er zonde wezen door jou…
••

16


Niet zullen vaders worden gedood
   om zonen,

en zonen zullen niet worden gedood
   om vaders:

een man zal om zijn eigen zonde
   worden gedood.

••

17


Buig niet

het recht van een zwerver-te-gast,
   van een wees;

leg geen beslag
op het gewaad van een weduwe.

18


Gedenken zul je

dat je dienstknecht bent geweest in Egypte,
en de Ene, je God,
   je daaruit heeft losgekocht;

dáárom
gebied ik je te doen
dit woord!
••

19


Wanneer je op het veld
   je maaioogst aan het maaien bent
   en je hebt op het veld een garf vergeten,

keer dan niet terug om die mee te nemen,-
voor de zwerver-te-gast,
   voor de wees en de weduwe zal die wezen;

opdat de Ene, je God, je zal zegenen
in alle doen van je hand.

20


Wanneer je je olijfboom afklopt

moet je niet achteraf gaan schudden:
voor de zwerver-te-gast, voor de wees
   en de weduwe zal hij wezen.

••

21


Wanneer je je wijngaard kaal snijdt,

zul je die niet achteraf overdoen:
voor de zwerver-te-gast, voor de wees
   en de weduwe zal hij wezen.

22


Gedenken zul je

dat je dienstknecht bent geweest
   in het land van Egypte;

dáárom
gebied ik je te doen
dit woord!
••