Instellingen

1


Geschieden zal het, wanneer je aankomt

in het land
dat de Ene, je God,
je als erfdeel geeft,-
en jij het beërfd hebt en erin zetelt:

2


nemen zul je

iets van het prille begin
   van alle vrucht van de –rode– grond

die je binnenbrengt van je land
   dat de Ene, je God, je geeft,
   en dat leggen in de schaal;

en gaan zul je naar het oord
dat de Ene, je God, zal uitkiezen
om daar zijn naam te laten wonen.

3


Ben je aangekomen bij de priester

die er in die dagen zal zijn,
dan zul je tot hem zeggen:
ik meld heden aan de Ene, je God,
dat ik ben gekomen in het land
dat de Ene aan onze vaderen heeft gezworen
   ons te geven!

4


Aannemen zal de priester
   de schaal uit je hand;

doen rusten zal hij hem
voor het aanschijn
van het altaar van de Ene, je God.

5


Aanheffen zul je dan en zeggen
   voor het aanschijn van de Ene, je God:

een verloren Arameeër was mijn vader;
hij daalde af naar Egypte
en was daar zwerver-te-gast
   met maar weinig maten;

maar hij werd daar
tot een groot volk, stevig en talrijk;

6


maar ze deden ons kwaad, de Egyptenaren,
   en vernederden ons;

ze legden ons harde slavendienst op;

7


wij riepen

tot de Ene, de God van onze vaderen;
toen hoorde de Ene onze stem
en zag onze vernedering en moeite
   en onze onderdrukking;

8


toen deed de Ene ons wegtrekken
   uit Egypte

door een sterke hand en uitgestrekte arm,
door een grote vreeswekkende daad,-
door tekenen en wonderen;

9


hij deed ons komen in dit oord;

hij gaf ons dit land,
een land dat overvloeit
   van melk en honing;

10


en nu

heb ik hier het prille begin doen komen
   van de vrucht van de –rode– grond

die ge mij hebt gegeven, Ene!
Doen rusten zul je het
voor het aanschijn van de Ene, je God,
en je buigen
voor het aanschijn van de Ene, je God.

11


Verheugen zul je je dan om al het goede

dat de Ene, je God, aan jou gegeven heeft
   en aan je huis:

jij en de Leviet
en de zwerver-te-gast in je kring!
••

12


Wanneer je voleindigd hebt

om elke tiende te vertienen
van je opbrengst in het derde jaar,
   het jaar van de tiende,-

geef die dan aan de Leviet,
aan de zwerver-te-gast, de wees en de weduwe;
in je poorten zullen zij eten
   en verzadigd worden.

13


Zeggen zul jij dan

voor het aanschijn van de Ene, je God:
   weggedaan uit het huis heb ik het heilige;

ook heb ik het gegeven aan de Leviet,
   de zwerver-te-gast, de wees en de weduwe,

geheel naar uw gebod dat ge mij
   hebt geboden;

geen van uw geboden
   heb ik overtreden of vergeten;

14


in mijn rouwklacht
   heb ik er niet van gegeten;

ik heb er niet van weggedaan in onreinheid,
ik heb er niet van weggegeven
   voor een dode;

ik heb gehoord
naar de stem van de Ene, mijn God,
ik heb gedaan
naar al wat gij mij hebt geboden;

15


schouw neer uit het verblijf
   van uw heiligheid, uit de hemelen,

en zegen uw gemeente Israël
en de –rode– grond
die ge ons hebt gegeven,-
zoals ge aan onze vaderen hebt gezworen:
een land dat overvloeit
   van melk en honing!

••

16


Op deze dag

gebiedt de Ene, je God,
   je deze inzettingen te doen,
   en deze rechtsregels;

bewaken en doen zul je ze
met heel je hart en met heel je ziel!

17


Heden heb je de Ene doen zeggen

dat hij jou tot God zal wezen
   en dat jij zult wandelen op zijn wegen,

zult bewaken zijn inzettingen,
   zijn geboden en zijn rechtsregels
   en zult horen naar zijn stem.

18


De Ene

heeft jou heden doen zeggen
dat je voor hem zult wezen
   een uitgezochte gemeente,

zoals hij tot je heeft gesproken;
dat je al zijn geboden zult bewaken.

19


En hij zal je een plaats geven,
   hoog-verheven

boven alle volkeren die hij heeft gemaakt,
als loflied, goede-naam en sieraad,
en jij zult wezen een gemeenschap
   die heilig is voor de Ene, je God,-
   zoals hij heeft gesproken.

••