Instellingen

12


Wanneer je voleindigd hebt

om elke tiende te vertienen
van je opbrengst in het derde jaar,
   het jaar van de tiende,-

geef die dan aan de Leviet,
aan de zwerver-te-gast, de wees en de weduwe;
in je poorten zullen zij eten
   en verzadigd worden.

13


Zeggen zul jij dan

voor het aanschijn van de Ene, je God:
   weggedaan uit het huis heb ik het heilige;

ook heb ik het gegeven aan de Leviet,
   de zwerver-te-gast, de wees en de weduwe,

geheel naar uw gebod dat ge mij
   hebt geboden;

geen van uw geboden
   heb ik overtreden of vergeten;

14


in mijn rouwklacht
   heb ik er niet van gegeten;

ik heb er niet van weggedaan in onreinheid,
ik heb er niet van weggegeven
   voor een dode;

ik heb gehoord
naar de stem van de Ene, mijn God,
ik heb gedaan
naar al wat gij mij hebt geboden;

15


schouw neer uit het verblijf
   van uw heiligheid, uit de hemelen,

en zegen uw gemeente Israël
en de –rode– grond
die ge ons hebt gegeven,-
zoals ge aan onze vaderen hebt gezworen:
een land dat overvloeit
   van melk en honing!

••

16


Op deze dag

gebiedt de Ene, je God,
   je deze inzettingen te doen,
   en deze rechtsregels;

bewaken en doen zul je ze
met heel je hart en met heel je ziel!

17


Heden heb je de Ene doen zeggen

dat hij jou tot God zal wezen
   en dat jij zult wandelen op zijn wegen,

zult bewaken zijn inzettingen,
   zijn geboden en zijn rechtsregels
   en zult horen naar zijn stem.

18


De Ene

heeft jou heden doen zeggen
dat je voor hem zult wezen
   een uitgezochte gemeente,

zoals hij tot je heeft gesproken;
dat je al zijn geboden zult bewaken.

19


En hij zal je een plaats geven,
   hoog-verheven

boven alle volkeren die hij heeft gemaakt,
als loflied, goede-naam en sieraad,
en jij zult wezen een gemeenschap
   die heilig is voor de Ene, je God,-
   zoals hij heeft gesproken.

••