Wanneer je voleindigd hebt om elke tiende te vertienen van je opbrengst in het derde jaar, het jaar van de tiende,- geef die dan aan de Leviet, aan de zwerver-te-gast, de wees en de weduwe; in je poorten zullen zij eten en verzadigd worden.
Zeggen zul jij dan voor het aanschijn van de Ene, je God: weggedaan uit het huis heb ik het heilige; ook heb ik het gegeven aan de Leviet, de zwerver-te-gast, de wees en de weduwe, geheel naar uw gebod dat ge mij hebt geboden; geen van uw geboden heb ik overtreden of vergeten;
14
in mijn rouwklacht heb ik er niet van gegeten; ik heb er niet van weggedaan in onreinheid, ik heb er niet van weggegeven voor een dode; ik heb gehoord naar de stem van de Ene, mijn God, ik heb gedaan naar al wat gij mij hebt geboden;
15
schouw neer uit het verblijf van uw heiligheid, uit de hemelen, en zegen uw gemeente Israël en de –rode– grond die ge ons hebt gegeven,- zoals ge aan onze vaderen hebt gezworen: een land dat overvloeit van melk en honing! ••
16
Op deze dag gebiedt de Ene, je God, je deze inzettingen te doen, en deze rechtsregels; bewaken en doen zul je ze met heel je hart en met heel je ziel!
17
Heden heb je de Ene doen zeggen dat hij jou tot God zal wezen en dat jij zult wandelen op zijn wegen, zult bewaken zijn inzettingen, zijn geboden en zijn rechtsregels en zult horen naar zijn stem.
18
De Ene heeft jou heden doen zeggen dat je voor hem zult wezen een uitgezochte gemeente, zoals hij tot je heeft gesproken; dat je al zijn geboden zult bewaken.
19
En hij zal je een plaats geven, hoog-verheven boven alle volkeren die hij heeft gemaakt, als loflied, goede-naam en sieraad, en jij zult wezen een gemeenschap die heilig is voor de Ene, je God,- zoals hij heeft gesproken. ••