Aanheffen zul je dan en zeggen voor het aanschijn van de Ene, je God: een verloren Arameeër was mijn vader; hij daalde af naar Egypte en was daar zwerver-te-gast met maar weinig maten; maar hij werd daar tot een groot volk, stevig en talrijk;
maar ze deden ons kwaad, de Egyptenaren, en vernederden ons; ze legden ons harde slavendienst op;
7
wij riepen tot de Ene, de God van onze vaderen; toen hoorde de Ene onze stem en zag onze vernedering en moeite en onze onderdrukking;
8
toen deed de Ene ons wegtrekken uit Egypte door een sterke hand en uitgestrekte arm, door een grote vreeswekkende daad,- door tekenen en wonderen;
9
hij deed ons komen in dit oord; hij gaf ons dit land, een land dat overvloeit van melk en honing;
10
en nu heb ik hier het prille begin doen komen van de vrucht van de –rode– grond die ge mij hebt gegeven, Ene! Doen rusten zul je het voor het aanschijn van de Ene, je God, en je buigen voor het aanschijn van de Ene, je God.
11
Verheugen zul je je dan om al het goede dat de Ene, je God, aan jou gegeven heeft en aan je huis: jij en de Leviet en de zwerver-te-gast in je kring! ••