| 1 | Dan gebiedt Mozes, met Israëls oudsten, de gemeente en zegt: bewaak heel het gebod dat ik u heden gebied!
| |
| 2 | Geschieden zal het: op de dag dat ge de Jordaan zult oversteken naar het land dat de Ene, je God, je geeft,- zul je je grote stenen doen opstaan en ze bestrijken met strijkkalk;
| |
| 3 | schrijven zul je op hen, na je oversteek, alle woorden van dit onderricht,- bij je oversteek,- omwille daarvan dat je áánkomt in het land dat de Ene, je God, je geeft,- een land dat overvloeit van melk en honing, zoals de Ene, de God van je vaderen, tot je heeft gesproken.
| |
| 4 | Geschieden zal het: na uw oversteek van de Jordaan zult ge deze stenen doen staan, zoals ik u heden gebied, op de berg Ebal; bestrijken zul je ze met strijkkalk.
| |
| 5 | Bouwen zul je daar dan een altaar voor de Ene, je God; een altaar van stenen,- over hen zul je geen ijzer zwaaien;
| |
| 6 | van héle stenen bouw je het altaar van de Ene, je God; doe daarop dan opgaan opgangsgaven voor de Ene, je God;
| |
| 7 | ook vredesgaven zul je er offeren en dáár eten, en je verheugen voor het aanschijn van de Ene, je God!
| |
| 8 | Schrijven zul je op de stenen al de woorden van dit onderricht, duidelijk en goed! ••
| |
| 9 | Dan spreekt Mozes, met de priesters, de levitische, tot heel Israël en zegt: wees stil en hoor, Israël, op deze dag ben je geworden tot een gemeente voor de Ene, je God;
| |
| 10 | horen zul je naar de stem van de Ene, je God,- en doen zul je zijn geboden en zijn inzettingen, die ik je heden gebied! ••
| |
| 11 | Dan gebiedt Mozes de gemeente op die dag, en zegt:
| |
| 12 | dézen zullen zich, om de gemeente te zegenen, opstellen op de berg Gerizíem, na uw oversteek over de Jordaan: Simeon, Levi en Juda, Issachar, Jozef en Benjamin;
| |
| 13 | en dézen zullen tot verwensing zich opstellen op de berg Ebal: Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali;
| |
| 14 | aanheffen zullen de Levieten en zeggen tot alle man van Israël met luider stem: ••
| |
| 15 | Vervloekt de man die ooit een snijbeeld of een gietbeeld maakt -een gruwel voor de Ene!, maaksel van de handen van een graveur- en dat neerzet in het verborgene; antwoorden zullen ze, heel de gemeente, en zeggen: amen! ••
| |
| 16 | Vervloekt wie kleineert zijn vader en zijn moeder; zegge heel de gemeente: amen! ••
| |
| 17 | Vervloekt wie verlegt de grenslijn van zijn naaste; zegge heel de gemeente: amen! ••
| |
| 18 | Vervloekt wie een blinde misleidt op de weg; zegge heel de gemeente: amen! ••
| |
| 19 | Vervloekt wie krombuigt het recht van zwerver-te-gast, wees en weduwe; zegge heel de gemeente: amen! ••
| |
| 20 | Vervloekt wie neerligt met een vrouw van zijn vader, want bloot legt hij de ‘vleugel’ van zijn vader; zegge heel de gemeente: amen! ••
| |
| 21 | Vervloekt wie neerligt met welk beest dan ook; zegge heel de gemeente: amen! ••
| |
| 22 | Vervloekt wie neerligt met een zuster van hem, dochter van zijn vader of dochter van zijn moeder; zegge heel de gemeente: amen! ••
| |
| 23 | Vervloekt wie neerligt met zijn schoondochter; zegge heel de gemeente: amen! ••
| |
| 24 | Vervloekt wie zijn naaste in het verborgene neerslaat; zegge heel de gemeente: amen! ••
| |
| 25 | Vervloekt wie een geschenk aanneemt om een levende ziel neer te slaan, onschuldig bloed; zegge heel de gemeente: amen! ••
| |
| 26 | Vervloekt hij die niet doet stáán de woorden van dit onderricht door ze te doen; zegge heel de gemeente: amen! •
| |