| 1 | Geschieden zal het, als je gehoorzaam hoort naar de stem van de Ene, God-over-jou, door waakzaam te zijn om te doen al zijn geboden die ik je heden gebied,- dat de Ene, je God, je zal maken hoog-verheven boven alle volkeren van het aardland.
| |
| 2 | Komen zullen over jou al déze zegeningen en je bereiken,- wanneer je hoort naar de stem van de Ene, je God.
| |
| 3 | Gezegend jij in de stad,- gezegend jij op het veld!-
| |
| 4 | gezegend de vrucht van je schoot, de vrucht van je grond en de vrucht van je veestapel; de worp van je runderen en de weligheid van je wolvee;
| |
| 5 | gezegend je schaal en je deegtrog;
| |
| 6 | gezegend jij als je binnenkomt,- en gezegend jij als je uittrekt!
| |
| 7 | Dan geeft de Ene jouw vijanden die tegen je opstaan neergestoten over aan je aanschijn; over één weg zijn ze tegen je uitgetrokken, over zeven wegen zullen ze voor je aanschijn vluchten!
| |
| 8 | De Ene gebiedt over jou de zegen in je graanschuren en in elke strek van je hand; ja zegenen zal hij jou in het land dat de Ene, je God, je geeft.
| |
| 9 | De Ene zal jou doen opstaan, hem tot een heilige gemeenschap, zoals hij jou gezworen heeft,- wanneer je zult bewaken de geboden van de Ene, je God, en wandelen zult in zijn wegen!
| |
| 10 | Zien zullen alle gemeenschappen van het aardland dat de naam van de Ene over jou is uitgeroepen,- en ontzag voor jou krijgen!
| |
| 11 | Overladen zal de Ene je, ten goede, met de vrucht van je schoot, de vrucht van je veestapel en de vrucht van je grond,- op de –rode– grond welke de Ene aan je vaderen heeft gezworen jou te geven.
| |
| 12 | De Ene zal voor je openen zijn schatkamer vol goeds, de hemelen,- door de regen voor je land te geven op zijn tijd en door te zegenen elke daad van je hand; belenen zul jij vele volkeren en zelf zul je niet hoeven lenen.
| |
| 13 | Maken zal de Ene jou tot kop en niet tot staart; worden zul jij slechts tot iets dat opklimt, je zult niet worden tot iets dat afbuigt,- wanneer je hoort naar de geboden van de Ene, je God, welke ik je heden gebied te bewaken en te doen,
| |
| 14 | en niet afwijkt van alle woorden welke ik je heden gebied, naar rechts of links,- door andere goden achterna te gaan en die dienstbaar te zijn. ••
| |