Instellingen

1


Geschieden zal het,

als je gehoorzaam hoort naar de stem van
   de Ene, God-over-jou,

door waakzaam te zijn
   om te doen al zijn geboden

die ik je heden gebied,-
dat de Ene, je God, je zal maken
hoog-verheven
   boven alle volkeren van het aardland.

2


Komen zullen over jou
   al déze zegeningen en je bereiken,-

wanneer je hoort
naar de stem van de Ene, je God.

3


Gezegend jij in de stad,-

gezegend jij op het veld!-

4


gezegend de vrucht van je schoot,
   de vrucht van je grond
   en de vrucht van je veestapel;

de worp van je runderen
   en de weligheid van je wolvee;

5


gezegend je schaal en je deegtrog;

6


gezegend jij als je binnenkomt,-

en gezegend jij als je uittrekt!

7


Dan geeft de Ene
   jouw vijanden die tegen je opstaan

neergestoten over aan je aanschijn;
over één weg zijn ze tegen je uitgetrokken,
over zeven wegen
   zullen ze voor je aanschijn vluchten!

8


De Ene gebiedt over jou de zegen

in je graanschuren
en in elke strek van je hand;
ja zegenen zal hij jou
in het land
dat de Ene, je God, je geeft.

9


De Ene zal jou doen opstaan,
   hem tot een heilige gemeenschap,

zoals hij jou gezworen heeft,-
wanneer je zult bewaken
de geboden van de Ene, je God,
en wandelen zult in zijn wegen!

10


Zien zullen alle gemeenschappen
   van het aardland

dat de naam van de Ene
   over jou is uitgeroepen,-

en ontzag voor jou krijgen!

11


Overladen zal de Ene je, ten goede,

met de vrucht van je schoot,
   de vrucht van je veestapel
   en de vrucht van je grond,-

op de –rode– grond
welke de Ene aan je vaderen heeft gezworen
   jou te geven.

12


De Ene zal voor je openen
   zijn schatkamer vol goeds,
   de hemelen,-

door de regen voor je land te geven
   op zijn tijd

en door te zegenen
elke daad van je hand;
belenen zul jij vele volkeren
en zelf zul je niet hoeven lenen.

13


Maken zal de Ene jou tot kop
   en niet tot staart;

worden zul jij slechts tot iets dat opklimt,
je zult niet worden tot iets dat afbuigt,-
wanneer je hoort
naar de geboden van de Ene, je God,
welke ik je heden gebied te bewaken
   en te doen,

14


en niet afwijkt

van alle woorden welke ik je heden gebied,
   naar rechts of links,-

door andere goden achterna te gaan
   en die dienstbaar te zijn.

••

15


Maar geschieden zal het,

als je niet hoort naar de stem van
   de Ene, je God,

door waakzaam te doen al zijn geboden
   en al zijn inzettingen

die ik je heden gebied,-
komen zullen dan over jou
   al déze verwensingen en je bereiken:

16


vervloekt jij in de stad;

vervloekt jij op het veld;

17


vervloekt je schaal en je deegtrog;

18


vervloekt de vrucht van je schoot
   en de vrucht van je grond,-

de worp van je runderen
   en de weligheid van je wolvee;

19


vervloekt jij als je thuiskomt,-

vervloekt jij als je uittrekt!

20


Uitzenden zal de Ene over jou
   vervloeking, verwarring en bedreiging,

bij elke strek van je hand die je zult doen,-
totdat je verdelgd bent, totdat je
   verloren gegaan bent met haast,

gezien het kwaad van je handelingen,
   dat je mij hebt verlaten.

21


De Ene zal aan je doen kleven:
   de pest,-

totdat hij je zal hebben afgemaakt
op de –rode– grond
waarop je aankomt om die te beërven.

22


De Ene zal je slaan met de tering,
   de koorts en het koudvuur,

met verdroging en verdorring,
met verzenging en met géling,
najagen zullen die jou tot je verloren bent!

23


Worden zullen je hemelen boven je hoofd
   van koper,-

en het land onder je van ijzer;

24


ook geeft de Ene als regen voor je land
   stuifzand en stof,-

uit de hemelen zal het over je neerdalen
totdat je verdelgd bent;

25


en jou geeft de Ene verslagen over

aan het aanschijn van je vijanden;
over één weg trek je tegen hem uit
en over zeven wegen
   zul je voor zijn aanschijn vluchten;

worden zul je tot een ontzetting
voor alle koninkrijken van het aardland;

26


je lijk zal worden tot eten

voor alle gevogelte des hemels
   en alle gedierte van het aardland;

en géén die ze opschrikt.

27


De Ene zal je slaan met Egyptische zweren
   en holbulten,

met schurft en met krauwsel,-
waarvan je niet zult kunnen genezen;

28


de Ene zal je slaan

met waanzin en blindheid,-
met verbijstering van hart.

29


Worden zul je iemand
   die rondtast in de middag,

zoals de blinde rondtast in het duister,-
en geen van je wegen lukt je;
worden zul je echter
   een die verdrukt wordt en geplunderd
   al de dagen, en géén die redt!

30


Je zult je met een vrouw verloven

en een andere man zal haar ontmaagden,
een huis bouwen en nooit daarin wonen,
een wijngaard planten en die niet inwijden.