Instellingen

1


Geschieden zal het,

wanneer over je komen
   al deze woorden,

de zegen en de verwensing
die ik aan je aanschijn heb gegeven,-
en jij ze hebt laten terugkeren in je hart,
daar bij alle volkeren
waarheen de Ene, je God, je heeft verstoten,

2


en jij bent teruggekeerd

tot de Ene, je God,
   en bent gaan horen naar zijn stem,

in al wat ik je heden gebied,-
jij en je zonen,
met heel je hart en met heel je ziel:

3


omkeren zal dan de Ene, je God,
   je kerkering
   en zich over je ontfermen;

omkeren zal hij
en je verzamelen uit alle gemeenschappen
waarheen de Ene, je God, je heeft verstrooid.

4


Al zal je verstoting geschieden
   aan de rand van de hemel,-

ook vandáár
zal de Ene, je God, je verzamelen,
vandáár zal hij je halen.

5


Doen komen zal hij je,

de Ene, je God,
in het land dat de vaderen eens
   hebben beërfd
   en dat jij zult beërven;

hij zal het je goed laten gaan
   en je talrijker maken dan je vaderen.

6


Besnijden zal de Ene, je God, jouw hart
   en het hart van je zaad,-

zodat je zult liefhebben
de Ene, je God, met heel je hart
   en met heel je ziel,
   omwille van je leven!

7


Geven zal de Ene, je God,

al deze vervloekingen,-
over je vijanden en over je haters
   die je achtervolgen;

8


en jíj zult omkeren

en gehoor geven aan de stem van de Ene;
doen zul je al zijn geboden
die ik je heden gebied.

9


Overladen zal hij je, de Ene, je God,
   in elke daad van je hand,

in de vrucht van je schoot,
   in de vrucht van je vee
   en in de vrucht van je –rode– grond,
   ten goede,-

omdat de Ene zal terugkeren
naar plezier over jou, ten goede,
zoals hij plezier heeft gehad in je vaderen.

10


Omdat je hoort

naar de stem van de Ene, je God,
door zijn geboden en zijn inzettingen
   te bewaken,

al wat geschreven staat
in de boekrol van dit onderricht;
omdat je terugkeert tot de Ene, je God,
met heel je hart en met heel je ziel!
••

11


Want dit gebod

dat ik je heden gebied:
het is niet te wonderlijk voor je
en niet te ver weg is het;

12


niet in de hemelen is het,-

om te zeggen
‘wie zal voor ons opklimmen ten hemel,
   het voor ons halen

en het ons doen horen,
   zodat wij het kunnen doen?’;

13


niet aan de overzijde van de zee is het,-

om te zeggen
‘wie zal voor ons oversteken
   naar de overzij van de zee,
   het voor ons halen

en het ons doen horen,
   zodat wij het kunnen doen?’;

14


nee, zeer dicht bij je is het woord:

in je mond en in je hart,
   om het te doen!

••

15


Zie, gegeven heb ik heden aan je aanschijn

het leven en het goede,-
de dood en het kwade,

16


nu ik je gebied

vandaag
om lief te hebben
de Ene, je God, door te wandelen
   in zijn wegen,

en te bewaken zijn geboden,
   zijn inzettingen en zijn rechtsregels;

leven zul je dan en talrijk worden,
zegenen zal jou de Ene, je God,
in het land
waar jij komt om het te beërven.

17


Maar als je hart zich afwendt en je niet hoort,

je je laat meeslepen
en je buigen zult voor ándere goden
   en die zult dienen,

18


dan heb ik u heden gemeld

dat ge verloren en teloor zult gaan;
ge zult geen dagen verlengen
   op de –rode– grond

waarvoor je nu de Jordaan oversteekt
om daar te komen, om haar te beërven.

19


Ik laat heden tegen u getuigen

de hemelen en de aarde;
het leven en de dood
   heb ik gegeven aan uw aanschijn,

de zegen en de verwensing;
kies dan het leven,
opdat je leeft, jij en je zaad,

20


door lief te hebben de Ene, je God,

door te horen naar zijn stem
   en hem aan te hangen;

want hij is je leven en de lengte van je dagen
om te zetelen op de –rode– grond
welke de Ene aan je vaderen,
   aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob
   heeft gezworen

hun te geven.