| 1 | Geschieden zal het, wanneer over je komen al deze woorden, de zegen en de verwensing die ik aan je aanschijn heb gegeven,- en jij ze hebt laten terugkeren in je hart, daar bij alle volkeren waarheen de Ene, je God, je heeft verstoten,
| |
| 2 | en jij bent teruggekeerd tot de Ene, je God, en bent gaan horen naar zijn stem, in al wat ik je heden gebied,- jij en je zonen, met heel je hart en met heel je ziel:
| |
| 3 | omkeren zal dan de Ene, je God, je kerkering en zich over je ontfermen; omkeren zal hij en je verzamelen uit alle gemeenschappen waarheen de Ene, je God, je heeft verstrooid.
| |
| 4 | Al zal je verstoting geschieden aan de rand van de hemel,- ook vandáár zal de Ene, je God, je verzamelen, vandáár zal hij je halen.
| |
| 5 | Doen komen zal hij je, de Ene, je God, in het land dat de vaderen eens hebben beërfd en dat jij zult beërven; hij zal het je goed laten gaan en je talrijker maken dan je vaderen.
| |
| 6 | Besnijden zal de Ene, je God, jouw hart en het hart van je zaad,- zodat je zult liefhebben de Ene, je God, met heel je hart en met heel je ziel, omwille van je leven!
| |
| 7 | Geven zal de Ene, je God, al deze vervloekingen,- over je vijanden en over je haters die je achtervolgen;
| |
| 8 | en jíj zult omkeren en gehoor geven aan de stem van de Ene; doen zul je al zijn geboden die ik je heden gebied.
| |
| 9 | Overladen zal hij je, de Ene, je God, in elke daad van je hand, in de vrucht van je schoot, in de vrucht van je vee en in de vrucht van je –rode– grond, ten goede,- omdat de Ene zal terugkeren naar plezier over jou, ten goede, zoals hij plezier heeft gehad in je vaderen.
| |
| 10 | Omdat je hoort naar de stem van de Ene, je God, door zijn geboden en zijn inzettingen te bewaken, al wat geschreven staat in de boekrol van dit onderricht; omdat je terugkeert tot de Ene, je God, met heel je hart en met heel je ziel! ••
| |
| 11 | Want dit gebod dat ik je heden gebied: het is niet te wonderlijk voor je en niet te ver weg is het;
| |
| 12 | niet in de hemelen is het,- om te zeggen ‘wie zal voor ons opklimmen ten hemel, het voor ons halen en het ons doen horen, zodat wij het kunnen doen?’;
| |
| 13 | niet aan de overzijde van de zee is het,- om te zeggen ‘wie zal voor ons oversteken naar de overzij van de zee, het voor ons halen en het ons doen horen, zodat wij het kunnen doen?’;
| |
| 14 | nee, zeer dicht bij je is het woord: in je mond en in je hart, om het te doen! ••
| |
| 15 | Zie, gegeven heb ik heden aan je aanschijn het leven en het goede,- de dood en het kwade,
| |
| 16 | nu ik je gebied vandaag om lief te hebben de Ene, je God, door te wandelen in zijn wegen, en te bewaken zijn geboden, zijn inzettingen en zijn rechtsregels; leven zul je dan en talrijk worden, zegenen zal jou de Ene, je God, in het land waar jij komt om het te beërven.
| |
| 17 | Maar als je hart zich afwendt en je niet hoort, je je laat meeslepen en je buigen zult voor ándere goden en die zult dienen,
| |
| 18 | dan heb ik u heden gemeld dat ge verloren en teloor zult gaan; ge zult geen dagen verlengen op de –rode– grond waarvoor je nu de Jordaan oversteekt om daar te komen, om haar te beërven.
| |
| 19 | Ik laat heden tegen u getuigen de hemelen en de aarde; het leven en de dood heb ik gegeven aan uw aanschijn, de zegen en de verwensing; kies dan het leven, opdat je leeft, jij en je zaad,
| |
| 20 | door lief te hebben de Ene, je God, door te horen naar zijn stem en hem aan te hangen; want hij is je leven en de lengte van je dagen om te zetelen op de –rode– grond welke de Ene aan je vaderen, aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob heeft gezworen hun te geven. •
| |