terwijl in dat tijdsgewricht ik bleef staan tussen de Ene en u om u te melden wat werd gesproken door de Ene; want ge waart bevreesd voor het aanschijn van het vuur en hebt de berg niet beklommen; hij zei: ••
6
ik ben de Ene, God-over-jou, die jou heb uitgeleid uit het land van Egypte, uit het dienaarshuis;
7
laat dát er niet bij jou wezen: andere goden, tegen mijn aanschijn in!-
8
niet zul je je maken een kapbeeld van enige gestalte in de hemelen boven, op de aarde beneden, en in de wateren onder de aarde!-
9
niet zul je voor hen je buigen, niet zul je hen dienen; want ik, de Ene, God-over-jou, ben een naijverig god, die onrecht van vaders bezoekt aan zonen, en aan derden en vierden van wie mij haten;
10
maar die vriendschap bewijst aan duízenden: aan wie mij liefhebben en mijn geboden bewaken!- ••
11
niet zul je de naam van de Ene, God-over-jou, aanheffen voor valse zaken, want niet ongestraft laat de Ene wie zijn naam aanheft in valse zaken; ••