Instellingen

4


Aanschijn bij aanschijn

heeft de Ene met ons gesproken op de berg
   vanuit het vuur;

5


terwijl in dat tijdsgewricht ik bleef staan
   tussen de Ene en u

om u te melden wat werd gesproken
   door de Ene;

want ge waart bevreesd voor het aanschijn
   van het vuur

en hebt de berg niet beklommen; hij zei:
••

6


ik ben de Ene, God-over-jou,

die jou heb uitgeleid uit het land van Egypte,
   uit het dienaarshuis;

7


laat dát er niet bij jou wezen:
   andere goden, tegen mijn aanschijn in!-

8


niet zul je je maken
   een kapbeeld van enige gestalte

in de hemelen boven,
op de aarde beneden,
en in de wateren onder de aarde!-

9


niet zul je voor hen je buigen,

niet zul je hen dienen;
want ik,
de Ene, God-over-jou,
   ben een naijverig god,

die onrecht van vaders bezoekt aan zonen,
en aan derden en vierden
   van wie mij haten;

10


maar die vriendschap bewijst aan duízenden:

aan wie mij liefhebben
   en mijn geboden bewaken!-

••

11


niet zul je de naam van de Ene,
   God-over-jou,
   aanheffen voor valse zaken,

want niet ongestraft laat de Ene
wie zijn naam aanheft in valse zaken;
••

12


waak over de dag van de sabbat,
   om die te heiligen,-

zoals de Ene, God-over-jou,
   je heeft geboden;

13


zes dagen zul je dienen,

doe dan al je werk;

14


de zevende dag

is een sabbat voor de Ene, God-over-jou;
níet doen zul je dan welk werk ook:
   jij, je zoon en je dochter, je dienaar
   en je dienstmaagd,

je os en je ezel,- al je vee,
en ook de zwerver-te-gast
   bij jou binnen je poorten,

opdat
je dienaar uitrust, en je dienstmaagd ook,
   zoals jijzelf!-

15


gedenken zul je

dat je een dienaar bent geweest
   in het land van Egypte

en dat de Ene, God-over-jou,
   je daaruit heeft uitgeleid

met sterke hand en uitgestrekte arm;
dáárom
heeft de Ene, God-over-jou, je geboden
om de dag van de sabbat te dóen!-
••

16


eer je vader en je moeder

zoals de Ene, God-over-jou,
   je heeft geboden;

opdat je dagen verlengd worden
en opdat het je goed ga
op de –rode– grond
welke de Ene, God-over-jou, aan jou geeft.
••

17


niet doodslaan zul je,

••
niet vreemdgaan zul je,
••
niet stelen zul je,
••
niet antwoorden zul je over je naaste
   als valse getuige;

••

18


niet zul je je zinnen zetten
   op de vrouw van je naaste;* In veel vertalingen is vers 17 verdeeld in vier verzen en is dit vers 21.

••
niet begeren zul je het huis van je naaste,
zijn veld, zijn dienaar, zijn dienstmaagd, zijn os,
   zijn ezel,-

al wat van je naaste is!
••

19


Deze woorden

heeft de Ene gesproken tot heel
   uw vergadering
   op de berg,

vanuit het vuur, de wolk
   en de mistdonkerte,-

met grote stem, en voegde daaraan niet toe;
toen schreef hij ze
op twee stenen platen
en gaf ze aan mij.

20


En het geschiedde,

toen gij de stem hoorde uit het duister
terwijl de berg in brand stond van het vuur,-
toen naderden tot mij
al uw stamhoofden en uw oudsten.

21


Ze zeiden:

ziehier, de Ene, God-over-ons,
   heeft ons doen zien
   zijn glorie en zijn grootheid,

en zijn stem hebben wij gehoord
   vanuit het vuur;

deze dag hebben wij gezien
dat God met de –rode– mens spreekt
en dat hij het overleeft;