| 6 | ik ben de Ene, God-over-jou, die jou heb uitgeleid uit het land van Egypte, uit het dienaarshuis;
| |
| 7 | laat dát er niet bij jou wezen: andere goden, tegen mijn aanschijn in!-
| |
| 8 | niet zul je je maken een kapbeeld van enige gestalte in de hemelen boven, op de aarde beneden, en in de wateren onder de aarde!-
| |
| 9 | niet zul je voor hen je buigen, niet zul je hen dienen; want ik, de Ene, God-over-jou, ben een naijverig god, die onrecht van vaders bezoekt aan zonen, en aan derden en vierden van wie mij haten;
| |
| 10 | maar die vriendschap bewijst aan duízenden: aan wie mij liefhebben en mijn geboden bewaken!- ••
| |
| 11 | niet zul je de naam van de Ene, God-over-jou, aanheffen voor valse zaken, want niet ongestraft laat de Ene wie zijn naam aanheft in valse zaken; ••
| |
| 12 | waak over de dag van de sabbat, om die te heiligen,- zoals de Ene, God-over-jou, je heeft geboden;
| |
| 13 | zes dagen zul je dienen, doe dan al je werk;
| |
| 14 | de zevende dag is een sabbat voor de Ene, God-over-jou; níet doen zul je dan welk werk ook: jij, je zoon en je dochter, je dienaar en je dienstmaagd, je os en je ezel,- al je vee, en ook de zwerver-te-gast bij jou binnen je poorten, opdat je dienaar uitrust, en je dienstmaagd ook, zoals jijzelf!-
| |
| 15 | gedenken zul je dat je een dienaar bent geweest in het land van Egypte en dat de Ene, God-over-jou, je daaruit heeft uitgeleid met sterke hand en uitgestrekte arm; dáárom heeft de Ene, God-over-jou, je geboden om de dag van de sabbat te dóen!- ••
| |
| 16 | eer je vader en je moeder zoals de Ene, God-over-jou, je heeft geboden; opdat je dagen verlengd worden en opdat het je goed ga op de –rode– grond welke de Ene, God-over-jou, aan jou geeft. ••
| |
| 17 | niet doodslaan zul je, •• niet vreemdgaan zul je, •• niet stelen zul je, •• niet antwoorden zul je over je naaste als valse getuige; ••
| |
| 18 | niet zul je je zinnen zetten op de vrouw van je naaste;* In veel vertalingen is vers 17 verdeeld in vier verzen en is dit vers 21. •• niet begeren zul je het huis van je naaste, zijn veld, zijn dienaar, zijn dienstmaagd, zijn os, zijn ezel,- al wat van je naaste is! ••
| |
| 19 | Deze woorden heeft de Ene gesproken tot heel uw vergadering op de berg, vanuit het vuur, de wolk en de mistdonkerte,- met grote stem, en voegde daaraan niet toe; toen schreef hij ze op twee stenen platen en gaf ze aan mij.
| |
| 20 | En het geschiedde, toen gij de stem hoorde uit het duister terwijl de berg in brand stond van het vuur,- toen naderden tot mij al uw stamhoofden en uw oudsten.
| |
| 21 | Ze zeiden: ziehier, de Ene, God-over-ons, heeft ons doen zien zijn glorie en zijn grootheid, en zijn stem hebben wij gehoord vanuit het vuur; deze dag hebben wij gezien dat God met de –rode– mens spreekt en dat hij het overleeft;
| |