Instellingen

1


Dit zijn het gebod,

de inzettingen en de rechtsregels
welke de Ene, uw God,
   heeft geboden u te leren,-

om ze te doen in het land
waarheen ge gaat oversteken
   om het te beërven;

2


opdat je de Ene, God-over-jou, zult vrezen,

door al zijn inzettingen en zijn geboden
   te bewaken

die ik je gebied:
jij, je zoon en de zoon van je zoon,
al de dagen van je leven;
opdat ze verlengd worden, je dagen!

3


Horen zul je, Israël, en waakzaam zijn
   om te doen

wat goed voor je is,
en waardoor ge zeer talrijk zult worden,-
zoals de Ene, de God van je vaderen,
   tot je heeft gesproken:

in een land dat overvloeit
   van melk en honing!

4


Hoor, Israël!-

de Ene is onze God, de Ene alleen!

5


Liefhebben zul je

de Ene, je God,
met heel je hart,
   met heel je ziel,
   en met al je macht!

6


Wezen moeten

deze woorden,
die ik je heden gebied, op je hart!

7


Herhalen zul je ze voor je zonen-en-dochters

en daarin spreken,-
als je zit in je huis en als je gaat over de weg,
als je je neerlegt en als je opstaat!

8


Binden zul je ze tot een teken op je hand,-

wezen zullen ze tot merkteken tussen je ogen!

9


Schrijven zul je ze op de posten van je huis
   en in je poorten!

••