Dit zijn het gebod, de inzettingen en de rechtsregels welke de Ene, uw God, heeft geboden u te leren,- om ze te doen in het land waarheen ge gaat oversteken om het te beërven;
opdat je de Ene, God-over-jou, zult vrezen, door al zijn inzettingen en zijn geboden te bewaken die ik je gebied: jij, je zoon en de zoon van je zoon, al de dagen van je leven; opdat ze verlengd worden, je dagen!
3
Horen zul je, Israël, en waakzaam zijn om te doen wat goed voor je is, en waardoor ge zeer talrijk zult worden,- zoals de Ene, de God van je vaderen, tot je heeft gesproken: in een land dat overvloeit van melk en honing! •
4
Hoor, Israël!- de Ene is onze God, de Ene alleen!
5
Liefhebben zul je de Ene, je God, met heel je hart, met heel je ziel, en met al je macht!
6
Wezen moeten deze woorden, die ik je heden gebied, op je hart!
7
Herhalen zul je ze voor je zonen-en-dochters en daarin spreken,- als je zit in je huis en als je gaat over de weg, als je je neerlegt en als je opstaat!
8
Binden zul je ze tot een teken op je hand,- wezen zullen ze tot merkteken tussen je ogen!
9
Schrijven zul je ze op de posten van je huis en in je poorten! ••