| 4 | Hoor, Israël!- de Ene is onze God, de Ene alleen!
| |
| 5 | Liefhebben zul je de Ene, je God, met heel je hart, met heel je ziel, en met al je macht!
| |
| 6 | Wezen moeten deze woorden, die ik je heden gebied, op je hart!
| |
| 7 | Herhalen zul je ze voor je zonen-en-dochters en daarin spreken,- als je zit in je huis en als je gaat over de weg, als je je neerlegt en als je opstaat!
| |
| 8 | Binden zul je ze tot een teken op je hand,- wezen zullen ze tot merkteken tussen je ogen!
| |
| 9 | Schrijven zul je ze op de posten van je huis en in je poorten! ••
| |
| 10 | En zal het geschieden dat de Ene, God-over-jou, je doet komen in het land dat hij aan je vaderen, aan Abraham, Isaak en Jakob, heeft gezworen aan jou te geven: steden groot en goed die jij niet hebt gebouwd,
| |
| 11 | bouwsels volgepakt met alle goed die jij niet hebt volgepakt, uitgehouwen bronputten die jij niet hebt uitgehouwen, wijngaarden en olijfbomen die jij niet hebt geplant,- en jij eten zult en verzadigd zijn:
| |
| 12 | waak over jezelf, anders vergeet je de Ene, die je heeft uitgeleid uit het land van Egypte, uit het dienaarshuis!
| |
| 13 | De Ene, je God, zul je vrezen en hém zul je dienen, en bij zíjn naam zul je zweren!
| |
| 14 | Ge zult niet gaan achter andere goden aan, van de goden van de gemeenschappen die u omringen.
| |
| 15 | Want een naijverig god is de Ene, je God, in je midden; anders zal de woede van de Ene, je God, tegen jou ontbranden, en zal hij je verdelgen van het aanschijn van de –rode– grond. ••
| |
| 16 | Ge zult niet beproeven de Ene, God-over-u, zoals ge hem hebt beproefd bij Masa,- beproeving!
| |
| 17 | Waakzaam zult ge bewaken de geboden van de Ene, God-over-u: zijn overeenkomsten en zijn inzettingen die hij jou heeft geboden.
| |
| 18 | Doen zul je wat juist is en goed in de ogen van de Ene,- opdat het jou goed gaat en je zult binnenkomen en beërven het goede land dat de Ene heeft gezworen aan je vaderen,-
| |
| 19 | door al je vijanden weg te stoten van je aanschijn, zoals de Ene heeft gesproken. ••
| |
| 20 | Wanneer je zoon je morgen de vraag stelt en zegt: wat ís dat met de overeenkomsten, de inzettingen en de rechtsregels welke de Ene, onze God, u heeft geboden?
| |
| 21 | Zeggen zul je dan tot je zoon: dienaren waren wij bij Farao in Egypte, en toen leidde de Ene ons weg uit Egypte met sterke hand;
| |
| 22 | de Ene gaf tekenen en wonderen, groot en kwaadaardig, in Egypte, aan Farao en aan heel zijn huis, voor onze ogen;
| |
| 23 | maar ons heeft hij daaruit weggeleid,- opdat hij ons zou doen binnenkomen en ons geven: het land dat hij aan onze vaderen heeft gezworen;
| |
| 24 | de Ene gebiedt ons om al deze inzettingen te dóen, om ontzag te hebben voor de Ene, God-over-ons,- ons ten goede al de dagen, om ons te doen leven, zoals op deze dag;
| |
| 25 | gerechtigheid zal het ons wezen,- wanneer wij waken om al deze geboden te doen voor het aanschijn van de Ene, God-over-ons, zoals hij ons heeft geboden! ••
| |