liefhebben zal hij je, zegenen zal hij je en je talrijk maken; zegenen zal hij de vrucht van je schoot en de vrucht van je –rode– grond: je koren, je most en je persolie, de worp van je runderen en de weligheid van je wolvee, op de –rode– grond die hij aan je vaderen heeft gezworen jou te geven.
|