| 16 | Opslokken zul je alle gemeenschappen welke de Ene, God-over-jou, prijsgeeft aan jou,- laat je oog hen niet verschonen; word geen dienaar van hun goden, want als er íets een valstrik voor je is, dan dát! ••
| |
| 17 | Wanneer je in je hart zegt: die volkeren zijn talrijker dan ik,- hoe zal ik bij machte zijn die te onterven?,
| |
| 18 | wees dan niet bevreesd voor hen,- gedenk en houd in gedachtenis wat de Ene, je God, heeft gedaan aan Farao en aan heel Egypte:
| |
| 19 | de grote beproevingen die jouw ogen hebben gezien, de tekenen en wonderen, de sterke hand en de uitgestrekte arm waarmee de Ene, je God, je heeft uitgeleid, zó zal hij doen, de Ene, je God, aan alle gemeenschappen voor wier aanschijn je bevreesd bent.
| |
| 20 | Zelfs de Egyptische angsthorzel zal de Ene, je God, tot hen zenden,- totdat verdwenen zijn wie nog over zijn en zich verborgen hebben voor je aanschijn.
| |
| 21 | Sidder niet voor hun aanschijn,- want de Ene, je God, is in je midden, een godheid groot en te vrezen!
| |
| 22 | wegjagen zal de Ene, je God, deze volkeren van je aanschijn, beetje bij beetje; je vermag niet hen overhaast ten einde brengen, anders overwoekert jou het wild des velds.
| |
| 23 | Prijsgeven zal de Ene, je God, hen aan jouw aanschijn; hij zal hen verwarren met grote verwarring totdat zij verdelgd zijn.
| |
| 24 | Hun koning geeft hij je in de hand, hun naam zul je verloren laten gaan onder de hemelen; geen man zal zich staande kunnen houden bij je verschijning, totdat je hen verdelgd hebt.
| |
| 25 | De snijbeelden van hun goden zult ge verbranden in het vuur; je zult niet begeren het zilver en goud dat over hen is en voor jezelf meenemen, anders raak je daarin verstrikt,- ja, een gruwel voor de Ene, je God, is dat.
| |
| 26 | Je zult geen gruwel doen komen in je huis,- worden zul je dan net zo gebannen als hij; met afschuw moet je hem schuwen en gruwend van hem gruwen, want gebannen is hij. •
| |