Instellingen

16


Opslokken zul je alle gemeenschappen

welke de Ene, God-over-jou,
   prijsgeeft aan jou,-

laat je oog hen niet verschonen;
word geen dienaar van hun goden,
want als er íets een valstrik voor je is, dan dát!
••

17


Wanneer je in je hart zegt:

die volkeren zijn talrijker dan ik,-
hoe zal ik bij machte zijn die te onterven?,

18


wees dan niet bevreesd voor hen,-

gedenk en houd in gedachtenis
wat de Ene, je God, heeft gedaan
aan Farao en aan heel Egypte:

19


de grote beproevingen
   die jouw ogen hebben gezien,

de tekenen en wonderen,
   de sterke hand en de uitgestrekte arm

waarmee de Ene, je God, je heeft uitgeleid,
zó zal hij doen,
de Ene, je God, aan alle gemeenschappen
voor wier aanschijn je bevreesd bent.

20


Zelfs de Egyptische angsthorzel

zal de Ene, je God, tot hen zenden,-
totdat verdwenen zijn
wie nog over zijn
   en zich verborgen hebben voor je aanschijn.

21


Sidder niet voor hun aanschijn,-

want de Ene, je God, is in je midden,
een godheid groot en te vrezen!

22


wegjagen zal de Ene, je God,
   deze volkeren
   van je aanschijn,
   beetje bij beetje;

je vermag niet
   hen overhaast ten einde brengen,

anders overwoekert jou het wild des velds.

23


Prijsgeven zal de Ene, je God,
   hen aan jouw aanschijn;

hij zal hen verwarren met grote verwarring
totdat zij verdelgd zijn.

24


Hun koning geeft hij je in de hand,

hun naam zul je verloren laten gaan
onder de hemelen;
geen man zal zich staande
   kunnen houden bij je verschijning,

totdat je hen verdelgd hebt.

25


De snijbeelden van hun goden
   zult ge verbranden in het vuur;

je zult niet begeren het zilver en goud
   dat over hen is
   en voor jezelf meenemen,

anders raak je daarin verstrikt,-
ja, een gruwel voor de Ene, je God, is dat.

26


Je zult geen gruwel doen komen in je huis,-

worden zul je dan net zo gebannen
   als hij;

met afschuw moet je hem schuwen
   en gruwend van hem gruwen,
   want gebannen is hij.