Instellingen

1


Heel het gebod

dat ik je heden gebied
   zult ge bewaken en doen,-

opdat ge leven zult en talrijk worden,
en binnenkomen en beërven: het land
dat de Ene aan uw vaderen heeft gezworen.

2


Gedenk dan heel de weg

welke de Ene, je God, je deze veertig jaar
   heeft doen gaan
   in de woestijn;

om je te verootmoedigen, om je te beproeven,
om te weten wat er in je hart omgaat:
   bewaak je zijn geboden of niet?

3


Hij verootmoedigt je,

hij laat je honger lijden,
hij doet je het manna eten dat je niet kende
en ook je vaderen niet hebben gekend,-
opdat hij je tot de erkenning zal brengen
dat niet bij brood alleen
   de –rode– mens zal leven,

nee, dat bij al wat uittijgt
   uit de mond van de Ene
   de mens zal leven.

4


Je mantel is niet versleten van je afgevallen,

je voet is niet gezwollen,-
deze veertig jaar.

5


Erken dan met je hart:

ja,
zoals een man zijn zoon tuchtigt
is de Ene, je God, bezig jou te tuchtigen.

6


Bewaak dan

de geboden van de Ene, je God,-
en wandel op zijn wegen
   en heb ontzag voor hem.

7


Want de Ene, je God, is bezig

je te doen komen in een goed land,-
een land van waterbeken,
wellen en kolken
die uittijgen in slenk en bergland;

8


een land van tarwe en gerst,

wijnstok, vijg en granaatappel;
een land van een olijf vol olie en van honing,

9


een land

waarin je niet in gebrek je brood zult eten,
waarin het je aan niets zal ontbreken,-
een land welks stenen puur ijzer zijn
en uit welks bergen je koper hakt.

10


Eten zul je en verzadigd worden,-

en zegenen de Ene, je God,
om het goede land dat hij je heeft gegeven.

11


Wees waakzaam,

anders vergeet je de Ene, je God,-
en bewaak je niet zijn geboden,
   zijn rechtsregels en zijn inzettingen

die ik je heden gebied;

12


anders eet je en ben je verzadigd,-

goede huizen bouw je en je zetelt daarin,

13


je rundvee en je wolvee
   vermeerderen zich,

zilver en goud vermeerdert bij jou,-
ál het jouwe wordt meer,

14


maar je hart is hoogmoedig geworden

en je bent vergeten de Ene, je God
die je heeft uitgeleid
   uit het land van Egypte,
   uit het dienaarshuis,-

15


die je deed gaan door de woestijn,
   zo groot en geducht:

koperslang, seraf en schorpioen!-
een dorstgebied waar geen water is;
maar die voor jou water liet uittijgen
uit de kiezelrots;

16


die je in de woestijn manna deed eten,-

dat je vaderen niet hebben gekend;
met het doel je te verootmoedigen en
met het doel je te beproeven,
om je in je toekomst goed te doen;

17


zul je zeggen in je hart:

míjn kracht, het gebeente van mijn hand
heeft voor mij dit vermogen gemaakt!-

18


gedenk dan de Ene, je God,-

want hij is het
die je kracht heeft gegeven
   door een vermogen te maken;

om zo zijn verbond gestand te doen
   dat hij heeft gezworen aan je vaderen,
   evenals op deze dag.

19


En geschieden zal het

als je in vergetelheid de Ene, je God,
   vergeet

en gaan zult
achter andere goden aan,
hén zult dienen en je voor hén zult buigen:
dan heb ik heden tegen u betuigd
dat ge verliezen zult en verloren zult gaan!-

20


zoals de volkeren

welke de Ene voor je aanschijn
   teloor heeft doen gaan,

zó zult ge verloren gaan!,
omdat ge niet hoort
naar de stem van de Ene, uw God.