Instellingen

1


Hoor Israël,

jij gaat vandaag de Jordaan oversteken
om binnen te komen, om te beërven: volkeren
groter en steviger dan jij;
steden groot en steil tot in de hemelen;

2


een gemeenschap groot en rijzig:
   zonen van de Anakieten

die je zelf al hebt leren kennen
   en van wie je zelf hebt gehoord

‘wíe kan standhouden
voor het aanschijn van de zonen van Anak?’

3


Erken dan heden

dat de Ene, je God, dat híj het is
   die oversteekt
   voor je aanschijn uit als een verterend vuur,

dat hij ze zal verdelgen
   en hij ze zal doen bukken
   voor je aanschijn:

onterven zul je ze en weldra
   teloor doen gaan,

zoals de Ene tot jou heeft gesproken!

4


Zeg nooit in je hart,

wanneer de Ene, je God,
   ze wegjaagt van je aanschijn,

wat je zou kunnen zeggen:
om mijn gerechtigheid
   heeft de Ene mij hier doen komen

om dit land te beërven!
Om de boosaardigheid van deze volkeren
gaat de Ene hen onterven
   voor jouw aanschijn!

5


Niet door jouw gerechtigheid

en door de oprechtheid van je hart
kom jij aan om hun land te beërven,-
nee,
om de boosaardigheid van deze volkeren
gaat de Ene, je God,
   hen onterven van jouw aanschijn,

en om het woord gestand te doen
dat de Ene heeft gezworen aan je vaderen,
aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob.

6


Weet dan:

nee, niet om jouw gerechtigheid
   gaat de Ene, je God,
   jou dit goede land geven
   om dat te beërven;

want een gemeenschap met harde nek ben jij!

7


Gedenk, vergeet nooit

hoe je de Ene, je God,
   woedend hebt gemaakt
   in de woestijn;

vanaf de dag
dat je bent weggetrokken
   uit het land van Egypte

totdat jullie aankwamen bij dit oord,
zijn jullie weerspannig geweest tegen de Ene;

8


bij Horeb hebt ge de Ene
   zo woedend gemaakt

dat de Ene van toorn op u
   in staat was u te verdelgen.

9


Toen ik het gebergte beklom

om de stenen platen aan te nemen,
   de platen van het verbond

dat de Ene met u had gesmeed,-
en ik in het bergland zat,
veertigmaal een dag
   en veertigmaal een nacht,-

brood at ik niet
en water dronk ik niet,

10


toen gaf de Ene aan mij

de twee stenen platen,
beschreven door de vinger Gods,-
met daarop
alles van de woorden
welke de Ene met u heeft gesproken
   op de berg, vanuit het vuur,
   op de dag van de vergadering.

11


Het geschiedde

na verloop van veertigmaal een dag
en veertigmaal een nacht
dat de Ene aan mij gaf
de twee stenen platen,
   de platen van het verbond.

12


Toen zei de Ene tot mij:

sta op, daal haastig af van hier,
want die gemeente van jou
   heeft het verdorven,-

die jij hebt uitgeleid uit Egypte;
haastig zijn ze afgeweken
van de weg die ik hun heb geboden:
ze hebben zich een gietbeeld gemaakt!

13


Ook zei de Ene tot mij, hij zei:

áángezien heb ik deze gemeente en
   zie, een gemeente hard-van-nek is het;

14


laat af van mij, dan kan ik ze verdelgen

en hun naam wegvagen
van onder de hemelen;
dan maak ik jou
tot een volk, steviger en talrijker dan dit!

15


Ik wendde mij om

en daalde af van de berg,-
de berg brandde in het vuur;
de twee platen van het verbond had ik
op mijn twee handen.

16


Ik zag het:

zie, gezondigd hadt ge tegen de Ene,
   uw God,

en u gemaakt
een kalf, een gietbeeld!-
met haast waart ge afgeweken
van de weg
welke de Ene u had geboden!

17


Ik greep de twee platen

en wierp ze weg
uit mijn twee handen;
ik verbrijzelde ze voor uw ogen.

18


Ik liet mij vallen
   voor het aanschijn van de Ene,
   zoals eerder;

veertigmaal een dag en veertigmaal
   een nacht:

brood at ik niet
en water dronk ik niet,-
om al uw zonden waarmee ge
   hadt gezondigd

door te doen
   wat kwaad is in de ogen van de Ene,
   en hem te krenken.

19


Want ik was beducht

voor de aanblik van de toorn
   en de gramschap

waarmee de Ene woedend op u was,
   klaar om u te verdelgen;

toch hoorde de Ene naar mij,
ook die keer.

20


En op Aäron

was de Ene zo woedend
   dat hij hem wilde verdelgen;

ik bad ook voor Aäron, in dat tijdsgewricht.

21


Uw zonde,-

het kalf dat ge hadt gemaakt,
heb ik toen opgenomen,
het verbrand in het vuur,
het stukgeslagen en vermalen
tot het dun als stof was;
ik wierp zijn stof
in de beek die afdaalt van de berg.

22


Ook bij Tavera, bij Masa

en bij Kivrot Hataäva,-
zijt ge erbij geweest om
   de Ene woedend te maken.

23


Toen de Ene u wegzond

vanuit Kadeesj Barnea en zei:
klimt op en beërft het land
dat ik u heb gegeven!-
toen weerstondt ge
de mond van de Ene, uw God,
en hebt ge hem niet vertrouwd
en niet gehoor gegeven aan zijn stem.

24


Weerspannig zijt ge geweest tegen de Ene,-

vanaf de dag dat ik u ken!

25


Ik liet mij vallen

voor het aanschijn van de Ene,
veertigmaal de dag en veertigmaal
   de nacht
   waarin ik neergevallen lag:

want de Ene had gezegd u
   te zullen verdelgen.

26


Ik bad tot de Ene

en zei:
mijn Heer, Ene!,
verderf toch niet uw gemeente, uw erfdeel,
door u in uw grootheid losgekocht,
door u met sterke hand uitgeleid uit Egypte;

27


gedenk uw dienaren,

Abraham, Isaak, Jakob;
wend u niet
naar de verharding van deze gemeente,
naar zijn boosaardigheid en zijn zonde;

28


anders zullen ze zeggen,-

zij van het land
waaruit ge ons hebt weggeleid:
‘door het onvermogen van de Ene
om hen te doen komen
in het land
   waarvan hij tot hen heeft gesproken,

en uit haat tegen hen
heeft hij hen uitgeleid,
   om hen te laten sterven in de woestijn’,-

29


zíj, uw gemeente,
   uw erfdeel,

door u uitgeleid met uw grote kracht
en door uw uitgestrekte arm!