Ik heb mij grotelijks in de Heer erover verheugd dat u uw gezindheid voor mij eindelijk eens hebt kunnen botvieren; u zon daar al op, maar kreeg nooit de kans!
Niet dat ik dit vanwege gebrek zeg; want ik heb geleerd om in welke omstandigheden ik ook ben tevreden te zijn.
12
Ik weet ook nederig te leven, ik weet ook overvloed te hebben. In alles en in alle dingen ben ik ingewijd: én verzadigd worden én honger lijden, én overvloed hebben én gebrek lijden.
13
Tot alles ben ik in staat in eenheid met hem die mij kracht geeft.
14
Toch hebt ge er goed aan gedaan mee te delen in mijn verdrukking.
15
Gij weet het ook zelf, Filippenzen: in het begin van de verkondiging, toen ik uit Macedonië vertrok, heeft geen enkele vergadering met mij een rekening van uitgeven en aannemen willen delen behalve gij alleen,
16
en in Tessalonica hebt ge een- en andermaal naar mij gestuurd wat ik nodig had.
17
Niet dat ik het geschenk zoek, nee, ik zoek de vrucht die op uw rekening vermeerdert.
18
Maar ik heb alles binnen en heb overvloed; ik heb volop nu ik van Epafroditus dat van u heb ontvangen: ‘een welriekende geur’ (Ex. 29,18), een aangename offerande, welbehaaglijk aan God.
19
En mijn God zal in al wat gij nodig hebt naar zijn rijkdom vervullen in glorie, in Christus Jezus.
20
Aan onze God en Vader de glorie tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
21
Groet iedere heilige in Christus Jezus.
22
U groeten de broeders die met mij zijn, maar het meest die uit het huis van de Caesar.
23
De genade van de Heer, Jezus Christus, zij met uw geest!