Instellingen

1


Paulus en Silvanus en Timoteüs

aan de vergadering
van Tessalonicenzen
in God, onze Vader,
en de Heer, Jezus Christus:

2


genade voor u en vrede,

van God, de Vader, en de Heer,
Jezus Christus!

3


Altijd horen wij

God dank te brengen voor u,
broeders-en-zusters,
zoals waardig is,
omdat uw geloof
bovenmate toeneemt
en de liefde van
een ieder van u allen
jegens elkaar zo vermeerdert

4


dat wij zelf

in de vergaderingen van God
ons op u beroemen
voor uw volharding en geloof
in al uw vervolgingen
en verdrukkingen die ge verdraagt,

5


een aanwijzing van het rechtvaardige

oordeel van God
dat gij het koninkrijk van God
waardig zijt verklaard
waarvoor ge ook lijdt,-

6


als het tenminste rechtvaardig is

bij God
om aan wie u verdrukken
verdrukking terug te geven,

7


en aan u die verdrukt wordt

verademing met ons
in de openbaring van de Heer, Jezus,
vanuit de hemel
met de engelen van zijn kracht

8


‘in een vlammend vuur’, (Jer. 15,12)

wanneer hij wraak oefent
aan wie God niet kennen
en aan de verkondiging van
onze Heer, Jezus,
niet gehoorzamen

9


en die als straf

een eeuwig verderf
zullen ondergaan,
‘ver van het aanschijn van de Heer
en van de heerlijkheid van zijn kracht’

(Jes. 2, 10,19,21),

10


wanneer hij komen zal om

verheerlijkt te worden in zijn heiligen
en bewonderd
in allen die zijn gaan geloven,
omdat ons getuigenis bij u
is geloofd, op die dag.

11


Hiertoe bidden wij ook altijd

voor u,
dat onze God u
de roeping waardig zal achten
en elk welbehagen in goedheid
en werk van geloof
met kracht zal vervolmaken,

12


opdat de naam van onze Heer Jezus

in u verheerlijkt zal worden
en gij in hem,
overeenkomstig de genade van
onze God en van de Heer,
Jezus Christus.