Instellingen

1


Maar wij vragen u,

broeders-en-zusters,
over de komst van onze Heer,
Jezus Christus,
en over onze vereniging met hem,

2


dat gij niet zo snel

u van het verstand laat beroven
of u laat verschrikken,
niet door een geestesuiting,
niet door een woord
en niet door een brief
als door ons verzonden,
dat de dag van de Heer aanstaande is.

3


Laat nooit iemand u misleiden,

op geen enkele wijze,-
omdat eerst de afvalligheid moet komen
en de mens der wetloosheid
geopenbaard zal worden,
de zoon van de ondergang,

4


de tegenstander

die zich ook verheft
tegen al wat God heet
of zozeer voorwerp van verering is
dat hij zich in de tempel van God
neerzet om van zichzelf te tonen
dat hij god is.

5


Herinnert ge u niet dat ik,

toen ik nog bij u was,
u deze dingen heb gezegd?

6


Voor nu wéét ge wat hem tegenhoudt;

hij moet geopenbaard worden
als het zijn tijd is.

7


Want het geheimenis der wetloosheid

doet reeds z’n werk;
alleen moet wie hem nu nog tegenhoudt
worden tegengehouden
tot hij uit het midden weg is.

8


En dán

zal de wetloze worden geopenbaard,
welke de Heer zal wegrukken
door de adem van zijn mond
en buiten werking zal stellen
met de verschijning van zijn komst,-

9


hem wiens komst is,

overeenkomstig de werking van de satan,
in alle kracht en tekenen en wonderen
van leugen,

10


en in alle misleiding in ongerechtigheid

voor wie verloren gaan,
daarvoor dat zij
de liefde voor de waarheid
niet hebben willen ontvangen
waardoor zij konden worden gered.

11


En daarom zendt God hun

een inwerking die misleidt,
zodat zij in de leugen geloven,-

12


opdat allen geoordeeld worden

die niet in de waarheid geloven
maar welbehagen hebben
in de ongerechtigheid.

13


Maar wij behoren God altijd voor u,

‘door de Heer geliefde’ broeders-en-zusters,

(Deut. 33,12) dank te brengen,

omdat God u als eerstelingsgave
heeft uitgekozen
om gered te worden
in heiliging door de Geest
en waarachtig geloof,

14


waartoe hij u ook geroepen heeft

door onze verkondiging,
om de glorie van onze Heer,
Jezus Christus, te mogen verwerven.

15


Dus, broeders-en-zusters, staat dan pal

en houdt vast aan de overleveringen
waarin ge onderricht zijt,
hetzij door een woord
hetzij door een brief van ons.

16


Maar moge onze Heer,

Jezus Christus zelf, en God
onze Vader, die ons liefgehad heeft
en eeuwige bemoediging heeft gegeven
en goede hoop,

17


in genade uw harten bemoedigen

en versterken in alle
werk en woord dat goed is!