Instellingen

1


Ik betuig

voor het aanschijn van God
en van Christus Jezus,
die weldra levenden en doden
zal oordelen,
en bij zijn verschijning
en zijn koninkrijk:

2


predik het woord, dring aan,

op de goede tijd en ontijdig,
weerleg, bestraf, bemoedig,-
met alle lankmoedigheid,
ook in lering.

3


Want er zal een tijd zijn

dat ze de gezonde leer
niet zullen verdragen,
maar omdat ze jeuk krijgen
aan het gehoor zich
naar hun eigen verlangens
leraren zullen opstapelen,

4


en van de waarheid

het gehoor wel zullen afkeren
maar zich zullen keren
naar de fabels.

5


Maar jij, blijf nuchter in alles,

lijd onder kwaad,
doe het werk van een
evangelieverkondiger,
volvoer je dienaarschap.

6


Want ik word reeds geplengofferd,

en het tijdstip van mijn verscheiden
is aanstaande.

7


Ik heb de goede strijd gestreden,

de wedloop volbracht,
het geloof behouden.

8


Voor het overige ligt voor mij klaar

de krans der gerechtigheid,
welke mij de Heer op die dag
zal geven,
de rechtvaardige Rechter,-
niet alleen voor mij, maar ook
voor allen die zijn verschijning
hebben liefgehad.

9


Haast je om snel naar mij toe te komen!

10


Want Demas heeft mij verlaten

toen hij de wereld van nu liefkreeg,
en is vertrokken naar Tessalonica,
Crescens naar Galatië,
Titus naar Dalmatië.

11


Alleen Lucas is bij mij.

Haal Marcus op en
breng hem met je mee,
want hij is voor mij van groot nut
voor dienstwerk.

12


Maar Tychikus heb ik afgezonden

naar Efeze.

13


Breng, als je komt,

de reismantel mee, die ik
in Troas bij Karpus
heb achtergelaten,
en ook de boeken,
vooral de perkamenten.

14


Alexander de kopersmid

heeft mij veel kwaad betoond;
‘de Heer zal hem geven
naar zijn werken’ (Ps. 62,13);

15


ook voor jou geldt: wees voor hem

op je hoede!- want hij heeft
ten zeerste tegenstand geboden
aan onze woorden.

16


In mijn eerste verdediging

is niemand bij mij geweest,
nee, allen hebben mij verlaten;
laat het hun niet toegerekend worden!

17


Maar de Heer

heeft mij bijgestaan
en mij kracht gegeven,
opdat door mij de prediking
volvoerd zou worden
en alle volkeren die zouden horen,
en hij heeft mij weggerukt
uit de muil van een leeuw.

18


De Heer zal mij losrukken

uit alle boze opzet
en redden voor zijn hemels koninkrijk.
Hem zij de glorie
tot in de eeuwen der eeuwen.
Amen.

19


Groet Prisca en Aquila

en het huis van Onesiforus.

20


Erastus is in Korinte gebleven,

Trofimus heb ik ziek
in Milete achtergelaten.

21


Haast je om vóór de winter

te komen.
Jou groet Eubulus,
en Pudens en Linus en Claudia
en alle broeders-en-zusters.

22

De Heer zij met je geest.
De genade zij met u!