| 1 | Laat de broeder-en-zusterliefde blijven.
| |
| 2 | Vergeet de gastvrijheid voor vreemdelingen niet; want daardoor hebben sommigen ongemerkt engelen te gast gehad.
| |
| 3 | Gedenkt de gebondenen als waart ge mét hen gebonden, en hen die mishandeld worden als mensen die zelf ook een lichaam hebben.
| |
| 4 | Het huwelijk blijve in ere bij allen en het bed onbevlekt; want hoereerders en overspeligen zal God oordelen.
| |
| 5 | Houdt uw handel-en-wandel vrij van geldzucht; weest tevreden met wat er is. Híj immers heeft gezegd: ‘ik zal je niet begeven en je niet verlaten’ (Joz. 1,5),
| |
| 6 | zodat wij moedig kunnen zeggen: ‘de Heer is mij een helper, ik zal niet vrezen; wát kan een mens mij doen?’ (Ps. 118,6).
| |
| 7 | Gedenkt uw voorgangers, die tot u het woord van God gesproken hebben; beschouwt de uitkomst van hun wandel en volgt hun geloof na.
| |
| 8 | Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in de eeuwigheden;
| |
| 9 | laat u niet meeslepen door veelkleurige en vreemde leringen, want het is goed dat het hart vastheid vindt in genade en niet in spijswetten; zij die daarmee rondwandelen hebben er geen baat bij gehad.
| |
| 10 | Wij hebben een altaar waarvan zij die in de tent God vereren niet mogen eten.
| |
| 11 | Want van de dieren waarvan door de hogepriester ‘het bloed voor zonde in het Heilige wordt binnengebracht’, worden de lichamen ‘buiten de legerplaats verbrand’ (Lev. 16,27).
| |
| 12 | Daarom heeft ook Jezus, om door zijn eigen bloed de gemeente te heiligen, buiten de poort geleden.
| |
| 13 | Laten wij derhalve naar hem uittrekken, ‘buiten de legerplaats’ en zijn smaad dragen;
| |
| 14 | want wij hebben hier geen blijvende stad, nee, wij zoeken de toekomstige.
| |
| 15 | Laten wij dan door hem aldoor aan God een lofoffer opdragen, dat is: de vrucht van lippen die zijn naam belijden.
| |
| 16 | Maar vergeet de weldadigheid en de gemeenschappelijkheid niet; want in zulke offeranden heeft God een welgevallen.
| |
| 17 | Weest uw voorgangers gehoorzaam, en voegt u; want zij zijn waakzaam voor uw zielen als mensen die rekenschap moeten afleggen: opdat ze dat met vreugde doen en niet al zuchtende, want dat is niet voordelig voor u.
| |
| 18 | Bidt voor ons; want wij vertrouwen erop dat wij een goed geweten hebben, omdat we in alle dingen ons goed willen gedragen;
| |
| 19 | des te overvloediger roep ik u op om dat te doen, opdat ik des te sneller bij u word teruggebracht.
| |
| 20 | De God van de vrede, die de grote herder der schapen omhoog heeft gevoerd uit de doden door het bloed van een eeuwig verbond, onze Heer, Jezus,
| |
| 21 | moge u bevestigen in al wat goed is, om zijn wil te doen, en in ons doen wat voor zijn aanschijn welgevallig is, door Jezus Christus; hem zij de glorie tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
| |
| 22 | Maar ik roep u op, broeders-en-zusters, verdraagt dit woord van de oproep,- want ik heb het maar kort voor u opgesteld.
| |
| 23 | Weet dat onze broeder Timoteüs is losgelaten; met hem zal ik, als hij snel komt, u zien.
| |
| 24 | Groet al uw voorgangers en alle heiligen. U groeten die uit Italië.
| |
| 25 | De genade zij met u allen! | |