Instellingen

2


Acht het een en al verheuging,

broeders-en-zusters van mij,
wanneer ge in velerlei verzoekingen valt,

3


in het besef dat de beproeving van uw geloof

volharding bewerkt.

4


En die volharding

moet een volmaakt werk inhouden,
opdat ge volmaakt moogt zijn,
een gaaf geheel, in niets gebrekkig.

5


En als het iemand van u

ontbreekt aan wijsheid,
moet hij erom vragen bij God
die haar aan allen eenvoudigweg geeft
en geen verwijt maakt,
en ze zal hem gegeven worden.

6


En hij moet erom vragen in geloof,

zonder te weifelen,
want wie weifelt
lijkt op een golf in de zee
heen en weer geslingerd door de wind.

7


Want zo een mens moet niet menen

dat hij iets van de Heer zal ontvangen,-

8


een man dubbel van ziel,

onstandvastig op al zijn wegen.

9


Roemen mag de broeder

die vernederd wordt
om zijn verhoging,

10


en de rijke om zijn vernedering,

omdat hij ‘als een bloem in het gras’ (Jes. 40,6)
zal vergaan;

11


want opgegaan is de zon met gloed,

‘hij heeft het gras doen verdorren,
de bloem daarin viel af’ (Jes. 40,7)
en de luister van zijn gelaat ging teloor:
zó ook de rijke:
midden in zijn vooruitgang zal hij verwelken.

12


‘Zalig de man die volhardt’ (Dan. 12,12)

in verzoeking
omdat hij, beproefd gebleken,
ontvangen zal de zegekrans van het leven,
welke God beloofd heeft aan
wie hem beminnen.