Instellingen

21


Legt daarom af alle vuiligheid en

overvloed aan kwaad,
en neemt in zachtmoedigheid het woord aan
dat in u is geplant en
bij machte is om uw zielen te redden;

22


wordt ‘dáders van het woord’

en niet alleen maar toehoorders die
voor zichzelf het woord zinledig maken,

23


omdat, als iemand toehoorder

van een woord is
en geen dader,
hij lijkt op de man die het
gezicht waarmee hij was geboren
opmerkte in een spiegel:

24


want hij merkte zichzelf op,

ging weg en was meteen vergeten
wat voor iemand hij was;

25


maar wie zich voorover heeft gebogen

naar de volmaakte Wet die vrijmaakt
en daarbij blijft,-
niet een vergeetachtig toehoorder wordt
maar iemand die het werk dóet,
die zal zalig zijn met dat hij het doet.