Instellingen

21


is Abraham, onze vader,

niet door zijn werken
een rechtvaardige geworden
toen hij zijn zoon Isaak
opdroeg op het altaar?

22


Je ziet dat zijn geloof

samenwerkte met zijn werken
en door zijn werken
zijn geloof volkomen werd;

23


en zo ging het Schriftwoord in vervulling

dat zegt:
‘Abraham geloofde God, en dat werd hem
tot gerechtigheid gerekend’ (Gen. 15,6)
en hij werd ‘Gods vriend’ genoemd.

24


Ziet dan in dat een mens

door zijn wérken een rechtvaardige wordt
en niet door geloof alleen!

25


Werd niet evenzo Rachab, de hoer,

door haar werken een rechtvaardige,
toen zij de verkondigers opnam
en langs een andere weg eruit liet?

26


Ja, zoals het lichaam zonder geest

dood is,
zo is ook het geloof zonder werken dood.