Instellingen

1


Wilt niet met vélen leermeesters zijn,

broeders-en-zusters van mij,-
wetend dat wij een strenger oordeel
zullen moeten aannemen;

2


want in véle dingen struikelen wij allen;

als iemand in het woord niet struikelt
is hij een volmaakt man,
bij machte om ook heel het lichaam
te beteugelen;

3


als we de paarden

teugels in de monden leggen
om ze ons gehoorzaam te laten zijn,
wenden we daarmee heel hun lichaam;

4


zie ook de schepen, die zo groot zijn

en door hevige winden
worden voortgedreven,
maar door het kleinste roer worden gewend
waarheen het believen van de stuurman wil;

5


zo is ook de tong maar een klein lid

en kan ze bogen op grote dingen;
zie welk een vuur welk een
woud aansteekt!-

6


ook de tong is een vuur:

als de wereld der ongerechtigheid
bestaat de tong bij onze leden,
zij die heel het lichaam besmet
en het rond der schepping in brand zet,
zelf in brand gezet door de hel;

7


want elke soort van wilde beesten en vogels,

reptielen en zeedieren,
wordt getemd en ís getemd
door de menselijke soort,

8


maar de tong: niemand der mensen

is bij machte die te temmen,-
een rusteloos kwaad, vol dodelijk venijn!

9


Met haar zegenen we de Heer en Vader, en

met haar vervloeken wij de mensen
die naar Gods gelijkenis geschapen zijn;

10


uit dezelfde mond komt voort

zegen en vervloeking;
dat mag, broeders-en-zusters van mij,
níet zo wezen!

11


De bron laat toch niet uit dezelfde opening

het zoete en het bittere opwellen?

12


Een vijgenboom is toch niet bij machte,

mijn broeders-en-zusters,
olijven te maken,
of een wijnstok vijgen?-
evenmin kan zout zóet water maken!