Instellingen

1


Welaan dan, gij rijken,

weeklaagt en jammert over alle ellende
die u zal overkomen;

2


uw rijkdom is verrot en

uw klederen zijn mottenvoer geworden,

3


uw goud en zilver is verroest

en hun roest zal tot getuigenis tegen u zijn
en uw lijven verteren als een vuur;
ge hebt schatten verzameld
in de láátste dagen!-

4


zie, het loon dat ge hebt onthouden aan

de werkers die uw terreinen hebben gemaaid
schreeuwt het uit, en de kreten van
de oogsters zijn doorgedrongen
‘tot de oren van de Heer Sábaot’ (Jes. 5,9).

5


Ge hebt op de aarde gezwelgd en gebrast,

ge hebt uw harten vetgemest
‘op de dag van de slacht’ (Jer. 12,3);

6


ge hebt veroordeeld,

de rechtvaardige vermoord,
en hij weerstaat u niet.