Ik, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking, en in het koninkrijk en in de volharding in Jezus, geraakte op het eiland dat Patmos wordt genoemd, vanwege het woord Gods en het getuigenis van Jezus.
Ik geraakte in geestvervoering op de dag van de Heer en hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin,
11
die zei: schrijf wat je ziet in een boek en zend het aan de zeven vergaderingen, naar Efeze, Smyrna, Pergamum en Tyatira, naar Sardes, Filadelfia en Laodicea!
12
Ik keerde mij om om de stem te zien die met mij sprak, en toen ik mij omkeerde zag ik zeven gouden kandelaren,
13
en in het midden van de kandelaren iemand als een mensenzoon, bekleed met een gewaad dat tot de voeten reikte en met een gouden gordel tot aan de borst omgord;
14
zijn hoofd en zijn haren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vuurvlam,
15
en zijn voeten gelijk koperbrons als in een oven gloeiend gemaakt, en zijn stem als een stem van vele wateren;
16
in zijn rechterhand had hij zeven sterren; uit zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard en zijn aanschijn schitterde als de zon in haar kracht.
17
En toen ik hem zag viel ik als dood voor zijn voeten, maar hij legde zijn rechterhand op mij, zeggend: vrees niet; ik ben de eerste en de laatste en
18
de levende, en ik was dood en zie: ik ben de levende tot in de eeuwen der eeuwen, en ik heb de sleutels van de dood en van het schimmenrijk;
19
schrijf dus op wat je gezien hebt, namelijk wat is en wat na deze dingen zal geschieden;