Zij zijn ‘de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die vóór het aanschijn van de Heer van de aarde staan’ (Zach. 4,3 en 11-14).
5
En indien iemand hun onrecht wil doen, zal vuur uitgaan uit hun mond om hun vijanden te verteren. Ja, indien iemand hun onrecht zal willen doen, moet hij zó sterven.
6
Zíj hebben de macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt gedurende de dagen van hun profeteren. En zij hebben macht over de wateren om die in bloed te veranderen, en om de aarde met allerlei plagen te slaan, zo dikwijls als zij maar willen.