En ik zag, en zie: het lam stond op de berg Sion, en met hem honderdvierenveertigduizend die zijn naam hadden, en de naam van zijn Vader was geschreven op hun voorhoofden.
En ik hoorde een stem uit de hemel als een stem van vele wateren en als een stem van een grote donderslag, en de stem die ik hoorde was als van citerspelers die op hun citers musiceerden.
3
En zij zongen een nieuw lied voor het aanschijn van de troon, en voor het aanschijn van de vier levende wezens en de oudsten, en niemand kon het lied leren dan die honderdvierenveertigduizend, die van de aarde zijn vrijgekocht.
4
Zij zijn het die zich niet met vrouwen hebben bezoedeld, want zij zijn maagden, zij, die het lam volgen waarheen het ook maar gaat. Zíj werden vrijgekocht uit de mensen als eersteling voor God en het lam,
5
en in hun mond is geen leugen gevonden, ze zijn zonder smet.