Aan de engel van de vergadering in Efeze, schrijf: zo zegt hij die de zeven sterren houdt in zijn rechterhand, die wandelt te midden van de zeven gouden kandelaren:
ik ken je werken, je moeite en volharding, en dat je de kwaden niet kunt verdragen; en je hebt degenen die zeggen dat ze apostelen zijn maar het niet zijn, op de proef gesteld en je hebt hen leugenaars bevonden;
3
je hebt standvastigheid en je hebt verdragen omwille van mijn naam, en je bent het niet moe geworden;
4
maar ik heb tegen je, dat je je eerste liefde hebt verlaten;
5
gedenk dan vanwaar je bent gevallen en kom tot omkeer en doe je eerste werken; zo niet, dan kom ik tot jou en zal ik je kandelaar van haar plaats verwijderen als je niet tot omkeer komt;
6
maar dit heb je vóór, dat je de werken van de Nikolaïeten haat, die ook ík haat;
7
wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt; aan de overwinnaar: ik zal hem te eten geven van de boom des levens, die staat in het paradijs van God.