ik ken je werken, je liefde en geloof en dienstbetoon, en je volharding, en dat je laatste werken méér zijn dan de eerste;
20
maar ik heb tegen je, dat je die vrouw Izebel haar gang laat gaan, die van zichzelf zegt dat ze een profetes is, en zij onderricht en misleidt mijn dienaars om hoererij te bedrijven en afgodenvlees te eten;
21
ik heb haar tijd gegeven om tot omkeer te komen, maar zij wil niet tot omkeer komen van haar hoererij;
22
zie, ik werp haar te bed, en degenen die met haar overspel hebben gepleegd in een grote verdrukking,- als zij niet tot omkeer komen van haar werken;
23
en haar kinderen zal ik de dood doen sterven; en alle vergaderingen zullen erkennen dat ik het ben die nieren en harten doorvors, en ik zal u een ieder naar uw werken geven;
24
maar tot u zeg ik, de overigen in Tyatira, die die leer niet aanhangen, die ‘de diepten van satan’, zoals zij zeggen, niet hebben leren kennen: geen andere last zal ik u opleggen
25
dan vast te houden wat ge hebt totdat ik zal komen;
26
en wie overwint en wie mijn werken bewaart tot het einde toe, hem zal ik volmacht geven over de volken,
27
en hij zal hen weiden met een ijzeren scepter, als lemen vaten zullen ze in elkaar geslagen worden;
28
zoals ook ik van mijn Vader heb ontvangen, zo zal ik hem de morgenster geven;
29
wie een oor heeft, hore wat de Geest tot de vergaderingen zegt!