En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalen vanuit de hemel bij God, toebereid als een bruid die zich voor haar man heeft versierd.
3
En ik hoorde een grote stem vanuit de troon zeggen: zie, de tent van God is bij de mensen, en hij zal bij hen wonen en zij zullen zijn gemeenten zijn en God zelf zal bij hen zijn;
4
en iedere traan zal hij uit hun ogen afwissen; en de dood is niet meer, noch rouw noch geschreeuw noch moeite: de eerste dingen zijn voorbijgegaan!
5
En die op de troon zat zei: zie, ik maak alle dingen nieuw! En hij zegt: schrijf: deze woorden zijn betrouwbaar en waarachtig!
6
En hij zei tot mij: het is geschied; ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde; ik zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens, om niet;
7
wie overwint zal deze dingen beërven, en ik zal hem een God zijn en hij zal mij een zoon zijn;
8
maar de lafaards en trouwelozen en verdorvenen en moordenaars en hoereerders en tovenaars en afgodendienaars en alle leugenaars,- hun deel is in de poel die brandt van vuur en zwavel, dat is de tweede dood!