Instellingen

10


En hij voerde mij in de Geest weg

naar een grote en hoge berg,
en hij toonde me de heilige stad Jeruzalem,
neerdalend uit de hemel bij God,

11


met de glorie van God.

Haar lichtglans is gelijk
allerkostbaarst gesteente,
zoals kristalheldere jaspis.

12


Ze heeft een grote en hoge muur

met twaalf poorten,
en op de poorten twaalf engelen;
en daarop zijn namen geschreven,
de namen van de twaalf stammen
van de zonen Israëls.

13


Naar het oosten zijn drie poorten,

naar het noorden drie poorten,
naar het zuiden drie poorten,
en naar het westen drie poorten.

14


En de muur van de stad

heeft twaalf fundamenten,
waarop de twaalf namen staan
van de twaalf apostelen van het lam.

15


En hij die met mij sprak

had een gouden rietmeetstok bij zich,
om de stad en haar poorten
en haar muur te meten.

16


En de stad is vierkant,

haar lengte is gelijk aan haar breedte.
En hij mat de stad met de rietstok
op twaalfduizend stadiën,
haar lengte en breedte en hoogte zijn gelijk.

17


En hij mat haar muur

op honderdvierenveertig el,
de maat van een mens,
die ook die van een engel is.

18


En haar muur is gebouwd van jaspis;

en de stad is puur goud,
aan zuiver kristal gelijk.

19


De fundamenten van de muur van de stad

zijn versierd
met allerlei kostbaar gesteente.
Het eerste fundament van jaspis,
het tweede fundament van saffier,
het derde van chalcedon,
het vierde van smaragd,

20


het vijfde van sardonyx,

het zesde van sardion,
het zevende van chrysoliet,
het achtste van beril,
het negende van topaas,
het tiende van chrysopraas,
het elfde van hyacinth,
het twaalfde van amethist.

21


De twaalf poorten zijn twaalf parels,

iedere poort afzonderlijk bestaat uit
één parel.
En het plein van de stad is puur goud,
als doorzichtig kristal.

22


En een tempel zag ik in haar niet:

want de Heer God, de albeheerser,
is haar tempel
en het lam.

23


En de stad heeft de zon of de maan niet nodig

om haar te beschijnen,
want de glorie van God
heeft haar in het licht gezet,
en haar luchter is het lam.