Instellingen

1


En hij toonde mij

een rivier met water van leven,
helder als kristal,
voortkomend
uit de troon van God en van het lam.

2


Midden op haar plein

en aan weerszijden van de rivier
staat geboomte van leven,
twaalfmaal vruchtdragend,
iedere maand zijn vrucht gevend;
en de bladeren van het geboomte
zijn tot genezing van de volkeren.

3


Er zal geen enkele vervloeking meer zijn.

De troon van God en van het lam
zal in haar zijn,
en zijn dienaren zullen hem vereren;

4


zij zullen zijn aanschijn zien,

en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn.

5


Nacht zal er niet meer zijn,

en zij hebben licht van de luchter
en licht van de zon niet nodig:
de Heer God zal over hen lichten
en zij zullen als koningen heersen
tot in de eeuwen der eeuwen.

6


En hij zei tot mij:

deze woorden zijn betrouwbaar
en waarachtig;
de Heer, de God van de Geesten
van de profeten
heeft zijn engel gezonden om zijn dienaren
te tonen
‘wat spoedig moet geschieden’ (Dan. 2,28);

7


en zie,

ik kom spoedig!-
zalig hij
die de woorden van de profetie van dit boek
onderhoudt!

8


En ik, Johannes, ben het die deze dingen

hoort en ziet.
En als ik hoor en zie,
val ik in hulde neer
vóór de voeten van de engel
die mij deze dingen toont.

9


En hij zegt tot mij:

zie toe dat je dat niet doet!-
ik ben een mededienaar van jou,
en van jouw broeders, de profeten,
en van hen die de woorden
van dit boek bewaren;
breng hulde aan God!

10


En hij zegt tot mij: verzegel

de woorden van de profetie
van dit boek níet,
want het tijdstip is nabij;

11


wie onrecht doet,

laat hij nog meer onrecht doen,
en wie vuil is,
laat hij nog vuiler worden,
en de rechtvaardige,
laat hij nog meer rechtvaardigheid doen,
en laat de heilige nog heiliger worden;

12


zie,

ik kom spoedig,
en mijn loon heb ik bij mij
om een ieder terug te geven
naar zijn werk;

13


ik ben de alfa en de omega,

de eerste en de laatste,
het begin en het einde;

14


zalig zij die hun gewaden wassen,

opdat zij macht hebben
over het geboomte des levens
en door de poorten de stad binnenkomen;

15


buiten zijn de honden,

de tovenaars en de hoereerders,
de moordenaars en de afgodendienaars,
en een ieder die leugen liefheeft en doet;

16


ik, Jezus, heb mijn engel gezonden

om u deze dingen te betuigen
voor de vergaderingen;
ik ben de wortel en de nakomeling
van David,
de stralende morgenster!

17


En de Geest en de bruid zeggen:

kom!
En wie het hoort,
laat hij zeggen:
kom!
En wie dorst heeft:
laat hij komen;
wie wil,
laat hij het levenswater nemen om niet.

18


Ik betuig aan ieder

die de woorden van de profetie van dit boek
hoort:
als iemand hieraan toevoegt,
God zal hem toevoegen
de slagen die in dit boek beschreven staan.

19


En indien iemand afneemt

van de woorden van het boek
van deze profetie,
God zal zijn deel afnemen
van het geboomte van het leven
en van de heilige stad,
die beschreven staan in dit boek.

20


Hij die dit betuigt zegt:

ja, ik kom spoedig!
Amen, kom Heer Jezus!

21

De genade van de Heer Jezus zij met allen.