Midden op haar plein en aan weerszijden van de rivier staat geboomte van leven, twaalfmaal vruchtdragend, iedere maand zijn vrucht gevend; en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing van de volkeren.
3
Er zal geen enkele vervloeking meer zijn. De troon van God en van het lam zal in haar zijn, en zijn dienaren zullen hem vereren;
4
zij zullen zijn aanschijn zien, en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn.
5
Nacht zal er niet meer zijn, en zij hebben licht van de luchter en licht van de zon niet nodig: de Heer God zal over hen lichten en zij zullen als koningen heersen tot in de eeuwen der eeuwen.