Instellingen

4


En ik weende zeer,

omdat niemand waardig bevonden werd
de boekrol te openen of hem in te zien.

5


En een van de oudsten zei tot mij:

ween niet,
zie, overwonnen heeft de leeuw,
uit de stam van Juda, de wortel van David,
om de boekrol te openen
met zijn zeven zegels!

6


En zie!-

ik zag in het midden van de troon
en van de vier levende wezens
en in het midden van de oudsten
een lam staan, geslacht,
met zeven horens en zeven ogen;
dat zijn de zeven geesten Gods
uitgezonden over de hele aarde.

7


En het kwam en ontving de rol

uit de rechterhand van hem
die op de troon zat.

8


En toen het de boekrol aannam,

vielen de vier levende wezens
en de vierentwintig oudsten
neer voor het aanschijn van het lam,
ieder met een citer en gouden schalen
vol reukwerk,-
dat zijn de gebeden van de heiligen.

9


En zij zongen een nieuw lied, en zeiden:

waardig zijt gij
de boekrol in ontvangst te nemen
en zijn zegels te openen,
want gij zijt geslacht
en hebt vrijgekocht voor God met uw bloed
mensen uit alle stam, taal,
gemeenschap en volk;