Instellingen

20


Dan laat Samuël

alle stammen van Israël naderen;
aangewezen wordt de stam van Benjamin.

21


Hij laat

de stam Benjamin naderen
   volgens zijn families,

en aangewezen wordt
   de familie van Matri;

dan wordt aangewezen:
   Saul, de zoon van Kiesj,

maar als ze hem zoeken is hij niet te vinden.

22


Ze vragen nogmaals aan de Ene:

is er nóg een man hierheen gekomen?-
••
en de Ene zegt:
zie, hij heeft zich verscholen
   tussen de spullen!

23


Ze rennen erheen,
   nemen hem daarvandaan mee,-

en hij posteert zich
   midden onder de gemeente,

hij reikt hoger dan heel de gemeente,
met kop en schouders boven hen uit.

24


Dan zegt Samuël tot heel de gemeente:

hebt ge gezien
   dat de Ene hem heeft uitgekozen?-

want geen is als hij in heel de gemeente!
Ze schallen het uit, heel de gemeente,
   en zeggen:
   leve de koning!