Instellingen

1


Dan klimt op:

Nachasj –slang– de Amoniet,
en legert zich tegen Javeesj Gilead;
alle mannen van Javeesj zeggen tot Nachasj:
smeed voor ons een verbond
   en dan zullen wij jou dienen!

2


Maar dan zegt tot hen

Nachasj de Amoniet:
zó smeed ik het voor u:
ik steek bij u elk rechteroog uit,-
ik wil smaad leggen over heel Israël!

3


De oudsten van Javeesj zeggen tot hem:

laat ons nog zeven dagen,
dan zenden wij boden uit
door heel Israëls gebied;
als er geen is die ons redt
   zullen wij uittrekken naar jou toe!

4


Als de boden aankomen
   in het Gibea van Saul

en die woorden spreken
   voor de oren van de gemeenschap,-

verheffen allen van heel de gemeenschap
   hun stem en wenen.

5


Maar ziedaar Saul

die van achter het rundvee
   van het veld komt;

Saul zegt:
wat is er met de gemeenschap dat ze wenen?-
en ze vertellen hem
de uitspraken van de mannen van Javeesj.

6


De Geest van God wordt vaardig over Saul

als hij deze woorden hoort,-
en zijn toorn ontbrandt, bovenmate.

7


Hij neemt een span rundvee,
   hakt het in stukken

en zendt die rond
in heel Israëls gebied,
   door de hand van de boden, die zeggen:

wie niet uittrekt achter Saul en Samuël,-
zó zal worden gedaan met zijn rundvee!
Dan valt de schrik voor de Ene
   over de gemeente

en trekken ze als één man uit.

8


In Bezek lijft hij ze in;

de zonen Israël zijn met driehonderdduizend
en het manvolk van Juda met dertigduizend.

9


Ze zeggen

tot de boden die gekomen zijn:
zó zult ge zeggen
   tot het manvolk van Javeesj Gilead:

morgen zal er voor u redding zijn,-
   als de zon heet wordt!

De boden komen aan
en melden dit aan de mannen van Javeesj,
   die verheugd zijn.

10


Dan zeggen de mannen van Javeesj:

morgen trekken wij naar u toe;
dan moogt ge aan ons doen
naar al wat goed is in uw ogen!
••

11


Het geschiedt de volgende morgen:

Saul stelt de manschap op in drie kopgroepen,
die komen in de ochtendwake
   het legerkamp binnen

en slaan op Amon in tot de dag heet wordt;
en het geschiedt:
   de overgeblevenen worden verstrooid,

geen twee zijn bij hen bijéén gebleven.