Instellingen

1


Chana bidt, ze zegt:

verrukt is mijn hart om de Ene,
verheven is mijn hoorn door de Ene;
wijd open is mijn mond tegen mijn vijanden,
want ik ben verheugd om de redding door u;

2


geen is heilig als de Ene,
   want geen is er buiten u;

geen rots is als onze God!-

3


spreekt niet te veel van hoog en hoger,

zoals hooghartig uittijgt uit uw mond!-
want een godheid die wéét is de Ene,
voor hem staan handelingen vást;

4


de boog van helden: verbroken!,

en struikelaars zijn omgord met vermogen;

5


verzadigden hebben voor brood
   zich verhuurd,

en hongerlijders zullen ophouden te sloven;
een onvruchtbare baarde er zeven
en een vrouw met vele zonen verwelkt;

6


de Ene brengt dood en doet leven,

doet neerdalen ter helle en voert omhoog;

7


de Ene onterft en maakt rijk,

hij die vernedert is het ook die verheft;

8


doet opstaan uit het stof de geringe,

uit de askuil verheft hij een arme
om hem te doen zitten met edelen,
een troon van glorie deelt hij hun toe;
want van de Ene
   zijn de grondvesten der aarde,

op hen zet hij de wereld vast;

9


de voeten van zijn vromen bewaakt hij

en boosdoeners
   moeten verstommen in het donker;

want niet door eigen kracht
   wordt men een held;

10


de Ene: verbroken worden
   wie met hem twisten,

over zo een
   laat hij het donderen in de hemel,

de Ene oordeelt de einden der aarde;
hij geeft sterkte aan zijn koning
en verheft de hoorn van zijn gezalfde!

11


Elkana gaat naar Rama, naar zijn huis;

en de jongen
   is tempeldienaar geworden bij de Ene,

bij het aanschijn van Eli, de priester.

12


De zonen van Eli zijn zonen van Belial:

ze hebben geen kennis van de Ene.

13


De gewoonte van de priesters
   bij de gemeente was:

als welke man ook maar
een offer offerde,
kwam de hulpjongen van de priester
   bij het koken van het vlees

aanzetten met de drietandige vork
   in zijn hand

14


en sloeg daarmee in de ketel of de pot,

in de pan of in de schotel;
al wat de vork omhoog haalde
nam de priester mee voor zichzelf,-
en zo deden ze aan allen van Israël
die daar in Sjilo kwamen.

15


Ook kwam, voordat ze het vet lieten roken,

de jongen van de priester aanzetten
en zei tot de man die offerde:
geef vlees
om te braden voor de priester!,
want hij neemt van jou
   geen gekookt vlees aan,

alleen levend!

16


En zei de man tot hem:

roken!, ze moeten eerst het vet laten roken,
en neem dan voor jezelf
zoals je ziel begeert!-
dan zei hij tot hem: nee, je geeft het nú,
en zo niet, dan neem ik het met geweld!

17


De zonde van de jongens werd zeer groot
   bij het aanschijn van de Ene,-

omdat de mannen
de broodgift van de Ene verachtten.

18


Maar Samuël

was tempeldienaar
   bij het aanschijn van de Ene,-

een jongen nog,
omgord met een linnen efod.

19


Een klein opperkleed
   maakte zijn moeder voor hem

en bracht dat van feestdagen tot feestdagen
   mee omhoog

als zij met haar man opklom
om het offer van de feestdagen te offeren.

20


Dan zegende Eli Elkana en zijn vrouw

en zei hij: geve de Ene je een nazaat
   uit deze vrouw,

in de plaats van de gewenste
die is toegewenst aan de Ene!
Dan gingen ze terug naar zijn woonplaats.

21


De Ene ziet om naar Chana,

en zij wordt zwanger en baart drie zonen
   en twee dochters;

maar de jongen Samuël
   groeit op bij de Ene.

••

22


Als Eli heel oud is geworden

en heeft gehoord
al wat zijn zonen heel Israël aandoen,
en dat zij zich neerleggen bij vrouwen
die geschaard staan
in de ingang van de tent van samenkomst,

23


zegt hij tot hen:

waarom doet ge zaken als deze?-
die kwade zaken van jullie waarover ik hoor
vanuit heel de gemeenschap van God?-

24


nee, mijn zonen!-

want niet goed is het gehoorde dat ik hoor
vanuit de overstekers
   van de gemeenschap van de Ene!-

25


als een mens zondigt tegen een mens
   kunnen zij God bidden,

maar als een mens zondigt tegen de Ene,
wie zal dan voor hem bidden?
Maar zij horen niet
   naar de stem van hun vader,

want het heeft de Ene behaagd
   hen ter dood te brengen.

26


De jongen Samuël wordt intussen

gaandeweg groot en goed,-
zowel bij de Ene
als bij de mensen.
••

27


Er komt een man Gods tot Eli;

hij zegt tot hem:
zó heeft gezegd de Ene:
heb ik mij niet onthullend onthuld
   aan het huis van je vader

toen zij in Egypte
   in het huis van Farao waren?-

28


uit alle stammen van Israël
   heb ik hem verkoren, mij tot priester,

om mijn altaar te beklimmen,
om wierook te laten roken,
   om een efod te dragen voor mijn aanschijn;

en ik gaf aan het huis van je vader
alle vuren van de zonen Israëls!-

29


waarom veracht ge dan

mijn slachtoffer en mijn broodgift,
die ik in mijn woning heb geboden?-
je eert je zonen meer dan mij,
doordat ge u vetmest
met het eerste van elke broodgift van Israël,
   dat van mijn gemeente is!-

30


daarom,-

tijding van de Ene, Israëls God,-
ik heb wel gezegd en gezegd:
‘in jouw huis en het huis van je vader
zullen ze voor mijn aanschijn wandelen
   tot in eeuwigheid!,’

maar nú, tijding van de Ene,
   is dat verre van mij;

nee: wie mij eren, zal ik eren
   en wie mij geringschatten
   worden gekleineerd;