Instellingen

1


Hij staat op en gaat weg;

als Jehonatan is aangekomen in de stad,* In veel vertalingen begint hoofdstuk 21 in vers 2.

2


komt David aan in Nov,

bij Achimelech de priester;
   bevend komt Achimelech David tegemoet

en zegt tot hem: waarom ben je wel alleen
en is er niemand bij je?

3


David zegt tot Achimelech de priester:

de koning gebood mij vandaag een zaak
en zei tot mij:
niemand mag wat dan ook weten
   van de zaak
   waarvoor ik je uitzend
   en die ik je heb geboden!-

de jongens heb ik laten weten:
ik ben naar plaats Zus-en-zo!-

4


nu dan:

wat heb je bij de hand?- vijf broden?-
   geef ze mij dan in de hand

of wat er maar te vinden is!

5


De priester antwoordt David en zegt:

ik heb geen ontwijd brood bij de hand,-
alleen heiligingsbrood is er,
maar: hebben de jongens
   zich wel in acht genomen
   voor vrouwvolk?

6


David antwoordt de priester en zegt tot hem:

zéker, nu vrouwvolk ons onthouden is
   als gister en eergister;

als ik uittrek
worden de spullen van de jongens geheiligd;
al is het een weg die ongewijd is,
reken maar
dat hij vandaag geheiligd wordt
   door de spullen!

7


Dan geeft de priester hem van het heilige,-

want er is daar geen ander brood geweest
dan het brood van het Aanschijn,
dat was verwijderd
   van het aanschijn van de Ene

om er warm brood neer te leggen
op de dag dat het oude werd weggenomen.

8


Wel is daar

een man uit de dienaren van Saul,
   juist op die dag,

in onthouding
   voor het aanschijn van de Ene,

en zijn naam is Doëeg de Edomiet,
de sterkste van de herders die Saul heeft.

9


Dan zegt David tot Achimelech:

is er hier onder jouw handbereik
   geen lans of een zwaard?,

want én mijn zwaard én mijn spullen
   heb ik niet kunnen meenemen in mijn hand,

omdat de zaak van de koning
   zoveel haast vroeg!

••

10


De priester zegt:
   het zwaard van Goliat de Filistijn
   die jij in het Eikdal hebt verslagen,
   zie, hier is het,

gewikkeld in een mantel achter de efod;
als je dat voor jezelf wilt nemen, neem het,
want er is geen ander behalve dit hier!
David zegt: het heeft zijns gelijke niet,
   geef het mij!

11


Dan staat David op

en maakt zich op die dag uit de voeten,
   weg van Sauls aanschijn;

hij komt aan
bij Achiesj, koning van Gat.

12


De dienaren van Achiesj zeggen tot hem:

is dat niet David, koning van het land?-
is het niet voor hém
dat ze bij reidansen over en weer zeggen:
Saul versloeg zijn duizenden
en David zijn tienduizenden!?

13


David legt deze uitspraken in zijn hart,-

en wordt zeer bevreesd
voor het aanschijn van Achiesj,
   koning van Gat.

14


Hij verdraait voor hun ogen zijn verstand

en doet waanzinnig in hun handen;
hij krabbelt op de deuren van de poort
en laat zijn kwijl in zijn baard lopen.

15


Dan zegt Achiesj tot zijn dienaren:

ziedaar, ge ziet een man die stapelgek is,
waarom laat ge die bij mij komen?-

16


heb ik gebrek aan gekken,

dat ge deze hebt laten komen
om gek te doen tegen mij?-
moet zo nodig híj mijn huis binnenkomen?
••