Instellingen

1


De jongen Samuël

is tempeldienaar van de Ene
   voor het aanschijn van Eli;

en het woord van de Ene
   is schaars geworden in die dagen,-

geen visioen is doorgebroken.
••

2


En het geschiedt te dien dage:

Eli is gaan liggen op zijn plaats,-
zijn ogen zijn begonnen zwak te worden,
hij kan niet meer zien;

3


de lamp van God dooft nog niet uit

en Samuël heeft zich neergelegd,-
in de hal van de Ene,
daar waar de ark van God is.

4


Dan roept de Ene Samuël toe,
   en die zegt: hier ben ik!

5


Hij rent naar Eli toe

en zegt: hier ben ik,
   want je hebt om mij geroepen!

Hij zegt: ik heb niet geroepen,
   keer terug en ga liggen!

En hij gaat heen en legt zich neer.
••

6


De Ene houdt aan

en roept Samuël nogmaals;
Samuël staat op, gaat naar Eli toe
en zegt: hier ben ik,
want je hebt om mij geroepen!
En hij zegt: ik heb niet geroepen, mijn zoon,
   keer terug en ga liggen!

7


Samuël

kent de Ene nog niet,-
er heeft zich nog geen woord van de Ene
aan hem onthuld.

8


De Ene houdt aan en roept Samuël
   voor de derde keer;

hij staat op, gaat naar Eli toe
en zegt: hier ben ik,
want je hebt om mij geroepen!
Dan begrijpt Eli
dat het de Ene is die tot de jongen roept.

9


Eli zegt tot Samuël: ga heen en leg je neer;

en zal het geschieden dat hij tot je roept,
zeg dan: spreek, Ene,
want uw dienaar hoort!
Dan gaat Samuël heen
en legt zich neer op zijn vaste plaats.

10


De Ene komt, posteert zich

en roept als keer op keer ‘Samuël, Samuël!,’
en Samuël zegt: spreek,
want uw dienaar hoort!

11


Dan zegt de Ene tot Samuël:

ziehier, ik ga bij Israël het woord doen,-
en van al wie het hoort
zullen zijn twee oren tuiten!-

12


op die dag zal ik aan Eli gestand doen

al wat ik tot zijn huis heb gesproken:
begin en voleinding;

13


gemeld heb ik hem

dat ik zijn huis zal berechten
   tot in eeuwigheid,-

om het onrecht waarvan hij heeft geweten,
want zijn zonen
   hebben vervloeking over zich gebracht

en hij heeft hen niet berispt;

14


daarom heb ik aan Eli’s huis gezworen:

als tot in der eeuwigheid
   óóit het onrecht van Eli’s huis

door slachtoffer of broodgift
   zal worden verzoend!…

15


Samuël ligt neer tot de morgen

en opent dan de deuren
   van het huis van de Ene;

Samuël is bevreesd
om het geziene te melden aan Eli.

16


Maar Eli roept Samuël

en zegt: Samuël, mijn zoon!-
en die zegt: hier ben ik!

17


En hij zegt:

wat is het woord
   dat hij tot jou heeft gesproken?-

verheel het toch niet voor mij!-
zó zal God aan je doen
   en zó voege hij eraan toe

als je voor mij een woord verheelt
van alle woord
   dat hij tot jou heeft gesproken!

18


Dan meldt Samuël hem al de woorden

en verheelt hij niets voor hem;
en hij zegt:
de Ene, hij ís het,-
wat goed is in zijn ogen moge hij doen!

19


Samuël groeit op;

de Ene is met hem geweest
en heeft van al zijn woorden
   geen ter aarde laten vallen.

20


Heel Israël erkent

van Dan tot Beëer Sjeva:
dat het Samuël toevertrouwd is
profeet te zijn voor de Ene.