Instellingen

1


En het geschiedt

na Sauls dood
en Davids terugkeer
van het verslaan van Amalek:
David zit alweer twee dagen in Tsiklag,

2


en het geschiedt ten derden dage:

ziedaar een man die komt uit het legerkamp,
   uit de manschap van Saul,

zijn gewaden gescheurd
en –rode– grond op zijn hoofd;
en het geschiedt: als hij aankomt bij David
valt hij ter aarde en buigt hij zich.

3


David zegt tot hem:

waar kom je vandaan?-
en hij zegt tot hem:
uit het legerkamp van Israël
   ben ik ontsnapt!

4


Dan zegt David tot hem:
   wat is het woord dat is geschied?-
   meld mij het toch!

Hij zegt: de manschap is weggevlucht
uit het oorlogsgeweld,
en ook: het merendeel
van de manschap is gevallen,
die zijn ter dood gebracht,
en ook
Saul en zijn zoon Jehonatan zijn dood!

5


David zegt tot de jongen die hem dit meldt:

hoe wéét jij
dat Saul dood is en zijn zoon Jehonatan ook?

6


Dan zegt de jongen die het hem meldt:

toevallig kwam ik terecht
   in het bergland van Gilboa,

en ziedaar Saul, leunend op zijn lans;
en ziedaar de wagens en de paardenmenners
   als aan hem vastgekleefd;

7


hij wendt zich achterom en ziet mij;

en roept mij
en ik zeg: zie, hier ben ik!-

8


hij zegt tot mij: wie ben jij?,

en ik zeg tot hem:
een Amalekiet ben ik!-

9


hij zegt tot mij:

sta toch stil bij mij en breng me ter dood,
want de verstijving heeft mij bevangen,-
hoewel mijn ziel nog geheel in mij is!-

10


ik stond bij hem stil en bracht hem ter dood,

want ik wist
dat hij niet meer zou leven
   nadat hij gevallen was;

ik nam
de wijdingskrans
   die hij op zijn hoofd had mee,

en ook de vlechtband
   die hij om zijn arm had,

en doe ze nu komen tot mijn heer: ziehier!

11


Dan grijpt David zijn gewaden
   en scheurt ze in;

zo ook al de mannen die bij hem zijn.

12


Ze rouwen en wenen,

en vasten tot aan de avond,-
om Saul
en om Jehonatan, zijn zoon,
om de manschap van de Ene
   en om het huis van Israël,

omdat ze zijn gevallen door het zwaard.
••

13


David zegt

tot de jongen die het hem gemeld heeft:
waar kom jij vandaan?
En hij zegt:
zoon van een man die zwerver-te-gast is,
   een Amalekiet, ben ik!

14


Dan zegt David tot hem:

hoe heb je niet bevreesd kunnen zijn
om je hand uit te steken
om een gezalfde van de Ene te verderven?

15


David roept één van de jongens

en zegt: treed toe, stoot hem neer!
Hij slaat hem neer, en hij sterft.

16


David zegt tot hem:

je bloed komt neer op je eigen hoofd,-
want je eigen mond
heeft tegen je getuigd toen je zei
‘ik heb hem ter dood gebracht,
   die gezalfde van de Ene!’

••

17


Dan weeklaagt David

deze weeklacht,-
om Saul en om Jehonatan, zijn zoon.

18


Hij zegt:

om de zonen van Juda als booglied te leren;
zie, het staat geschreven
   op de boekrol des oprechten:

19


het sieraad, o Israël,

is op jouw hoogten doorboord;
hoe zijn de helden gevallen;

20


meldt het niet in Gat,

verkondigt het niet in Asjkelons straten!-
anders verheugen zich
   de dochters der Filistijnen,

anders jubelen de dochters der voorhuiden;

21


bergen van de Gilboa,

geen dauw en geen regen
   over u, verheven velden!-

want dáár is besmeurd
   het schild van heldhaftigen,

het schild van Saul,
niet langer gezalfd met olijfolie!-

22


voor bloed van doorboorden,

voor vet van heldhaftigen
week Jehonatans boog
niet achteruit;
het zwaard van Saul
keerde nooit leeg terug!

23


Saul en Jehonatan,

zo geliefd en zo dierbaar in hun leven,
zijn in hun dood niet gescheiden;
lichtvoetiger dan arenden waren ze,
heldhaftiger dan leeuwen;

24


dochters van Israël,

weent over Saul!-
die u kleedde in karmozijnrood vol pracht;
die u overdekte met pronk van goud
over uw kleding heen;

25


hoe zijn de helden gevallen

midden in deze oorlog;
Jehonatan,-
ligt op jouw hoogten doorboord;

26


ik ben beangst over jou,

mijn broeder Jehonatan,
je was mij zo dierbaar;
een groter wonder was jouw liefde voor mij
dan liefde van vrouwen!-

27


hoe zijn de helden gevallen

en gingen oorlogswapens verloren!