Instellingen

11


Dan grijpt David zijn gewaden
   en scheurt ze in;

zo ook al de mannen die bij hem zijn.

12


Ze rouwen en wenen,

en vasten tot aan de avond,-
om Saul
en om Jehonatan, zijn zoon,
om de manschap van de Ene
   en om het huis van Israël,

omdat ze zijn gevallen door het zwaard.
••

13


David zegt

tot de jongen die het hem gemeld heeft:
waar kom jij vandaan?
En hij zegt:
zoon van een man die zwerver-te-gast is,
   een Amalekiet, ben ik!

14


Dan zegt David tot hem:

hoe heb je niet bevreesd kunnen zijn
om je hand uit te steken
om een gezalfde van de Ene te verderven?

15


David roept één van de jongens

en zegt: treed toe, stoot hem neer!
Hij slaat hem neer, en hij sterft.

16


David zegt tot hem:

je bloed komt neer op je eigen hoofd,-
want je eigen mond
heeft tegen je getuigd toen je zei
‘ik heb hem ter dood gebracht,
   die gezalfde van de Ene!’

••

17


Dan weeklaagt David

deze weeklacht,-
om Saul en om Jehonatan, zijn zoon.