Instellingen

1


Hierna geschiedt het:

Davids zoon Absalom
heeft een knappe zuster
   en haar naam is Tamar,-

en op haar wordt verliefd:
   Davids zoon Amnon.

2


Het benauwt Amnon, tot ziekwordens toe,-

omwille van Tamar, zijn zus,
want zij is maagd,
en het is onmogelijk in Amnons ogen
om haar wat-ook-maar aan te doen.

3


Amnon heeft een metgezel,

zijn naam is Jonadav,
zoon van Sjima, broer van David;
deze Jonadav
is een zeer wijs man.

4


Hij zegt tot hem:

waarom wel ben jij zo minnetjes,
   zoon van de koning,-
   ochtend aan ochtend?-

wil je dat niet aan mij melden?
Amnon zegt tot hem:
op Tamar,
een zus van mijn broer Absalom
ben ik verliefd!

5


Dan zegt Jehonadav tot hem:

ga liggen op je ligbank en houd je ziek;
zal je vader komen om je te zien,
zeggen zul je dan tot hem:
moge toch komen mijn zuster Tamar
   en mij verkwikken met brood,

ze moet voor mijn ogen
   de verkwikking klaarmaken

zodat ik het kan zien;
eten zal ik dan uit haar hand!

6


Amnon gaat liggen en houdt zich ziek;

als de koning komt om hem te zien
zegt Amnon tot de koning:
   moge toch komen

mijn zuster Tamar,
en voor mijn ogen
   twee hartenkoekjes hardmaken,

dan vind ik verkwikking uit haar hand!

7


David zendt bericht naar Tamars huis
   en laat zeggen:

ga toch
naar het huis van Amnon, je broer,
en maak voor hem de verkwikking klaar!

8


Dan gaat Tamar

naar het huis van Amnon, haar broer,
   die daar ligt;

zij neemt het deeg, kneedt het,
   maakt voor zijn ogen
   harten,

en kookt de hartenkoeken.

9


Ze neemt de pan op
   en zet ze voor zijn aanschijn neer;

maar hij weigert te eten;
Amnon zegt:
doet alleman naar buiten, bij mij vandaan!-
en ze gaan naar buiten, alleman,
   bij hem vandaan.

10


Dan zegt Amnon tot Tamar:

kom met de verkwikking in de binnenkamer,
dan verkwik ik mij uit jouw hand!
En Tamar neemt
de hartenkoeken die ze gemaakt heeft op
en komt daarmee binnen bij Amnon,
   haar broer,
   in de binnenkamer;

11


ze reikt ze hem aan om te eten;

maar hij grijpt haar vast en zegt tot haar:
kom hier, slaap met mij, zusje van mij!

12


Zij zegt tot hem:

nee, broer van mij, verneder mij niet,
want zo doet men niet in Israël;
doe deze dwaasheid niet!-

13


ik,

waarheen moet ik gaan met mijn schande!,
en jij,
jij wordt als de eerste de beste
   van de dwazen in Israël;

nu dan, spreek toch tot de koning,
want die zal mij niet aan jou onthouden!

14


Maar hij heeft niet
   naar haar stem willen horen:

hij is sterker dan zij, vernedert haar
en ligt bij haar neer.

15


En dan haat Amnon haar

met een zeer grote haat,
ja, groter
is de haat waarmee hij haar haat
dan de liefde
   waarmee hij op haar verliefd is geweest;

en Amnon zegt tot haar: sta op, ga weg!

16


Zij zegt tot hem:

daar is geen reden voor,-
dit kwaad zou groter zijn
dan het andere dat je met mij hebt gedaan,
mij heenzenden!
Maar hij heeft niet naar haar willen horen.

17


Hij roept

zijn hulpjongen, zijn bediende,
en zegt:
zenden jullie haar toch bij mij vandaan,
   naar buiten!,

en vergrendel de deur achter haar!

18


Zij heeft een veelkleurige mantel aan,

want zó kleden zich
   de dochters van de koning die maagd zijn
   van oudsher;

als zijn bediende haar uitdrijft naar buiten
en de deur achter haar heeft vergrendeld,

19


neemt Tamar as op haar hoofd

en de veelkleurige mantel die zij aanhad
   heeft ze verscheurd;

ze legt haar hand op haar hoofd
en gaat en gaat maar,
   heeft het uitgeschreeuwd.

20


Dan zegt haar broer Absalom tot haar:

is je broer Aminon bij je geweest?-
nu dan, zus van mij, zwijg,- hij is je broer,
zet niet je hart op deze zaak!
Verlaten blijft Tamar zitten
in het huis van haar broer Absalom.

21


Als ten slotte koning David

al deze besproken zaken
heeft gehoord,-
ontbrandt het bij hem bovenmate.

22


Nooit meer heeft Absalom
   met Amnon gesproken

ten kwade of ten goede;
want Absalom is Amnon gaan haten
om de zaak dat hij
zijn zuster, Tamar, heeft vernederd.

23


Het geschiedt na een dubbeljaar aan dagen:

dat Absalom schaapscheerders
   aan het werk heeft

in Baäl Chatsor dat bij Efraïm ligt,-
en dat Absalom
   alle zonen van de koning bijeenroept.

24


Dan komt Absalom bij de koning

en zegt:
zie toch, je dienaar
   heeft schaapscheerders aan het werk!-

laat toch de koning en zijn dienaren
   met jouw dienaar meegaan!

25


Maar de koning zegt tot Absalom:

nee, mijn zoon,
   wij kunnen toch niet allemaal
   meegaan?,

we mogen niet te zwaar op je drukken!
Hoe hij ook bij hem aandringt,
   hij heeft niet mee willen gaan
   en zegent hem (ten afscheid).

26


Dan zegt Absalom:

zo niet,
laat dan toch mijn broer Amnon
   met ons meegaan!,

en de koning zegt tot hem:
waarom zou hij met jou meegaan?

27


Maar als Absalom bij hem aandringt,-

zendt hij Amnon met hem mee
en alle koningszonen.
••

28


Absalom gebiedt zijn hulpjongens en zegt:

ziet toch toe,
   wanneer Amnons hart goedgestemd is
   door de wijn en ik tot u gezegd heb:

slaat Amnon neer!, doodt hem dan,
   weest niet bevreesd;

is het niet omdat ik het u heb geboden?-
weest sterk en doet al wat ge vermoogt!

29


Dan doen

de jongens van Absalom aan Amnon
zoals Absalom heeft geboden;
alle koningszonen staan op
en rijden, ieder op zijn muildier,
   weg en vluchten.

30


En het geschiedt terwijl zij onderweg zijn

dat het horen-zeggen al is aangekomen
bij David; gezegd wordt:
Absalom heeft alle koningszonen
   neergeslagen,

niet één is er van hen overgebleven!
••