Instellingen

1


Het geschiedt hierna

dat Absalom zich eigen maakt
een wagen en paarden,-
en vijftig man
   om voor zijn aanschijn uit te snellen.

2


Absalom heeft vroeg zijn schouders gerecht

en is gaan staan
op een handbreedte
   van de weg naar de poort;

en het geschiedt:
tot alleman die een twistgeding heeft
   en bij de koning komt om recht

roept Absalom en zegt hij:
uit welke stad vandaan ben jij?,
en zegt hij dan:
uit een van de stammen van Israël
   is je dienaar!,

3


dan zegt Absalom tot hem:

zie in dat je woorden goed en redelijk zijn,-
maar iemand die je hoort
   is er van de kant van de koning niet!

4


Ook zegt Absalom:

wie stelt mij aan als rechter in het land!-
dat tot mij
zal komen alleman die een twistgeding heeft
   en een rechtszaak,
   en hij zal van mij zijn recht krijgen!

5


Het geschiedde als iemand naderde

om zich aan hem te onderwerpen,-
dat hij zijn hand uitstak, hem vastgreep
   en hem een kus gaf.

6


Zoals hier besproken doet Absalom
   aan allen van Israël

die voor het recht tot de koning komen;
zo steelt Absalom
het hart van de mannen van Israël.

7


Het geschiedt

na verloop van vier jaar,-
dat Absalom tot de koning zegt:
moge ik toch gaan
en mijn gelofte betalen
   die ik aan de Ene heb beloofd
   in Hebron!-

8


want je dienaar heeft een gelofte beloofd

toen ik in Gesjoer in Aram zat en zei:
als ooit de Ene, die doet terugkeren,
   mij laat terugkeren
   naar Jeruzalem,

dienen zal ik dan de Ene!

9


Dan zegt de koning tot hem: ga in vrede!

Hij staat op en gaat op Hebron aan.

10


Maar Absalom zendt ijlboden uit

om bij alle stammen van Israël te zeggen:
met dat ge zult horen
   de stem van de ramshoorn,

zeggen zult ge dan:
koning is nu Absalom, in Hebron!

11


Met Absalom

zijn meegegaan:
tweehonderd man uit Jeruzalem,
opgeroepenen
   die in hun onschuld meegingen:

zij wisten van alles geen woord.

12


Dan zendt Absalom iemand
   om Achitofel de Giloniet,
   raadgever van David,

(te halen) uit zijn stad, uit Gilo,
   terwijl hij de offerdieren aan het offeren is;

zo wordt de samenzwering stevig,
terwijl de manschap bij Absalom gaandeweg
   talrijker wordt.

13


Als een melder aankomt bij David, zegt hij:

het hart van Israëls manvolk
   is achter Absalom gaan staan* Letterlijk: geworden.!

14


Dan zegt David tot al zijn dienaren
   die bij hem
   in Jeruzalem zijn:
   staat op, laten we vluchten!,

want er zal voor ons geen ontkoming zijn,-
   weg van Absaloms aanschijn!-

haast u om heen te gaan,
anders haast hij zich, haalt hij ons in
   en drijft hij het kwaad over ons:

de stad zal hij slaan
   met de bek van het zwaard!

15


De dienaars van de koning
   zeggen tot de koning:

geheel zoals mijn heer de koning verkiest,-
   hier zijn wij, om u te dienen!

16


De koning trekt (de stad) uit
   met heel zijn huishouden
   in zijn voetstappen;

wel laat de koning
tien vrouwen, bijvrouwen,
   achter om het huis te bewaken.

17


Zo trekt de koning (de stad) uit
   met heel de manschap
   in zijn voetstappen;

ze houden stil bij Huis van Verre,

18


terwijl al zijn dienaren oversteken
   op een handbreedte van hem,

en alle Kreti en alle Pleti,-
alle Gitieten,
zeshonderd man
die in zijn voetspoor uit Gat gekomen zijn,
oversteken
   aan het aanschijn van de koning.

19


Dan zegt de koning tot Itai de Gitiet:

waarom ga jij óók met ons mee?-
keer terug en zetel met de (nieuwe) koning,
   want je bent een buitenlander,

een balling ben je uit je eigen plaats!-

20


gisteren ben je gekomen,

en vandaag
zou ik je opjagen om met ons mee te gaan
terwijl ik ga waarheen ik gaan kan?-
keer terug
   en laat je broeders terugkeren met jou;
   vriendschap en trouw!

21


Itai antwoordt de koning en zegt:

bij het leven van de Ene
en bij het leven van mijn heer de koning!-
ja, op de plaats
waar mijn heer de koning zal zijn,
óf ten dode óf ten leven,
ja daar zal je dienaar zijn!

22


David zegt tot Itai: ga mee en steek over!

Dan steekt hij over,
Itai de Gitiet met al zijn mannen
en al het kroost dat bij hem is.

23


Heel het land,-

ze wenen met grote stem
als allen van de manschap oversteken,-
terwijl de koning
oversteekt door het beekdal van Kidron
en allen van de manschap oversteken
voor zijn aanschijn naar de woestijnweg,

24


en ziedaar ook Tsadok
   met al de Levieten bij zich,

dragend de ark van het verbond van God;
ze zetten de ark van God neer,
en Abjatar laat (opgangsgaven) opstijgen,-
totdat heel de manschap het volbracht heeft
   over te steken, de stad uit.

25


De koning zegt tot Tsadok:

laat de ark van God terugkeren naar de stad;
als ik genade vind in de ogen van de Ene
zal hij mij doen terugkeren
en laat hij mij de ark en zijn verblijfplaats
   weer zien;

26


maar als het zo is dat hij zegt

‘ik heb geen behagen in jou’,-
hier ben ik,
hij moge met mij doen
zoals goed is in zijn ogen!
••

27


De koning zegt tot Tsadok de priester:

ben jij een ziener?-
keer terug naar de stad, in vrede!-
en Achimaäts, je zoon, en Jehonatan,
   zoon van Abjatar,
   deze twee zonen van u met u!-

28


ziet, ik zal dralen

bij de oversteekplaatsen van de woestijn,-
totdat er een woord van bij u aankomt
   om mij iets te melden!

29


Dan laat Tsadok met Abjatar
   de ark van God
   terugkeren in Jeruzalem,-

en zetten zij zich daar neer.

30


David

klimt intussen de Olijvenhelling op,
   bij zijn klim wenend

met zijn hoofd omhuld,
terwijl hij barrevoets loopt;
allen van de manschap die bij hem zijn
hebben zich ieder het hoofd omhuld
en zijn opgeklommen, klimmend en wenend.