Instellingen

13


Als een melder aankomt bij David, zegt hij:

het hart van Israëls manvolk
   is achter Absalom gaan staan* Letterlijk: geworden.!

14


Dan zegt David tot al zijn dienaren
   die bij hem
   in Jeruzalem zijn:
   staat op, laten we vluchten!,

want er zal voor ons geen ontkoming zijn,-
   weg van Absaloms aanschijn!-

haast u om heen te gaan,
anders haast hij zich, haalt hij ons in
   en drijft hij het kwaad over ons:

de stad zal hij slaan
   met de bek van het zwaard!

15


De dienaars van de koning
   zeggen tot de koning:

geheel zoals mijn heer de koning verkiest,-
   hier zijn wij, om u te dienen!

16


De koning trekt (de stad) uit
   met heel zijn huishouden
   in zijn voetstappen;

wel laat de koning
tien vrouwen, bijvrouwen,
   achter om het huis te bewaken.

17


Zo trekt de koning (de stad) uit
   met heel de manschap
   in zijn voetstappen;

ze houden stil bij Huis van Verre,

18


terwijl al zijn dienaren oversteken
   op een handbreedte van hem,

en alle Kreti en alle Pleti,-
alle Gitieten,
zeshonderd man
die in zijn voetspoor uit Gat gekomen zijn,
oversteken
   aan het aanschijn van de koning.

19


Dan zegt de koning tot Itai de Gitiet:

waarom ga jij óók met ons mee?-
keer terug en zetel met de (nieuwe) koning,
   want je bent een buitenlander,

een balling ben je uit je eigen plaats!-

20


gisteren ben je gekomen,

en vandaag
zou ik je opjagen om met ons mee te gaan
terwijl ik ga waarheen ik gaan kan?-
keer terug
   en laat je broeders terugkeren met jou;
   vriendschap en trouw!

21


Itai antwoordt de koning en zegt:

bij het leven van de Ene
en bij het leven van mijn heer de koning!-
ja, op de plaats
waar mijn heer de koning zal zijn,
óf ten dode óf ten leven,
ja daar zal je dienaar zijn!

22


David zegt tot Itai: ga mee en steek over!

Dan steekt hij over,
Itai de Gitiet met al zijn mannen
en al het kroost dat bij hem is.

23


Heel het land,-

ze wenen met grote stem
als allen van de manschap oversteken,-
terwijl de koning
oversteekt door het beekdal van Kidron
en allen van de manschap oversteken
voor zijn aanschijn naar de woestijnweg,

24


en ziedaar ook Tsadok
   met al de Levieten bij zich,

dragend de ark van het verbond van God;
ze zetten de ark van God neer,
en Abjatar laat (opgangsgaven) opstijgen,-
totdat heel de manschap het volbracht heeft
   over te steken, de stad uit.

25


De koning zegt tot Tsadok:

laat de ark van God terugkeren naar de stad;
als ik genade vind in de ogen van de Ene
zal hij mij doen terugkeren
en laat hij mij de ark en zijn verblijfplaats
   weer zien;

26


maar als het zo is dat hij zegt

‘ik heb geen behagen in jou’,-
hier ben ik,
hij moge met mij doen
zoals goed is in zijn ogen!
••

27


De koning zegt tot Tsadok de priester:

ben jij een ziener?-
keer terug naar de stad, in vrede!-
en Achimaäts, je zoon, en Jehonatan,
   zoon van Abjatar,
   deze twee zonen van u met u!-

28


ziet, ik zal dralen

bij de oversteekplaatsen van de woestijn,-
totdat er een woord van bij u aankomt
   om mij iets te melden!

29


Dan laat Tsadok met Abjatar
   de ark van God
   terugkeren in Jeruzalem,-

en zetten zij zich daar neer.

30


David

klimt intussen de Olijvenhelling op,
   bij zijn klim wenend

met zijn hoofd omhuld,
terwijl hij barrevoets loopt;
allen van de manschap die bij hem zijn
hebben zich ieder het hoofd omhuld
en zijn opgeklommen, klimmend en wenend.

31


Aan David wordt gemeld en gezegd:

Achitofel zit in de samenzweringen
   met Absalom!

En David zegt:
verijdel toch
de raad van Achitofel, o Ene!

32


En het geschiedt,
   als David bij de top is aangekomen

waar hij zich zal neerwerpen voor God,-
ziedaar, hem komt tegemoet
   Choesjai de Arkiet,-

gescheurd zijn lijflinnen,
en –rode– grond op zijn hoofd.

33


David zegt tot hem:

als jij met mij zult oversteken
zul je op mij tot een last worden;

34


maar als je naar de stad terugkeert

en tot Absalom zult zeggen
   ‘jouw dienaar, o koning, wil ik wezen,

dienaar van je vader was ik voorheen
en nu ben ik dienaar van jou!’-
vergruizelen kun je dan voor mij
de raad van Achitofel!-

35


zijn daar niet mét jou

Tsadok en Abjatar, de priesters?-
geschieden zal het:
alle woord
   dat jij uit het huis van de koning hoort

zul je melden
aan Tsadok en Abjatar, de priesters!-

36


zie, daar zijn mét hen hun twee zonen:

Achimaäts van Tsadok
en Jehonatan van Abjatar;
door hun hand zult ge aan mij zenden
elk woord dat je hoort!

37


Zo komt Choesjai, metgezel van David,
   in de stad,-

als Absalom
aankomt in Jeruzalem.