Instellingen

19


Dan zegt de koning tot Itai de Gitiet:

waarom ga jij óók met ons mee?-
keer terug en zetel met de (nieuwe) koning,
   want je bent een buitenlander,

een balling ben je uit je eigen plaats!-

20


gisteren ben je gekomen,

en vandaag
zou ik je opjagen om met ons mee te gaan
terwijl ik ga waarheen ik gaan kan?-
keer terug
   en laat je broeders terugkeren met jou;
   vriendschap en trouw!

21


Itai antwoordt de koning en zegt:

bij het leven van de Ene
en bij het leven van mijn heer de koning!-
ja, op de plaats
waar mijn heer de koning zal zijn,
óf ten dode óf ten leven,
ja daar zal je dienaar zijn!

22


David zegt tot Itai: ga mee en steek over!

Dan steekt hij over,
Itai de Gitiet met al zijn mannen
en al het kroost dat bij hem is.

23


Heel het land,-

ze wenen met grote stem
als allen van de manschap oversteken,-
terwijl de koning
oversteekt door het beekdal van Kidron
en allen van de manschap oversteken
voor zijn aanschijn naar de woestijnweg,

24


en ziedaar ook Tsadok
   met al de Levieten bij zich,

dragend de ark van het verbond van God;
ze zetten de ark van God neer,
en Abjatar laat (opgangsgaven) opstijgen,-
totdat heel de manschap het volbracht heeft
   over te steken, de stad uit.

25


De koning zegt tot Tsadok:

laat de ark van God terugkeren naar de stad;
als ik genade vind in de ogen van de Ene
zal hij mij doen terugkeren
en laat hij mij de ark en zijn verblijfplaats
   weer zien;

26


maar als het zo is dat hij zegt

‘ik heb geen behagen in jou’,-
hier ben ik,
hij moge met mij doen
zoals goed is in zijn ogen!
••

27


De koning zegt tot Tsadok de priester:

ben jij een ziener?-
keer terug naar de stad, in vrede!-
en Achimaäts, je zoon, en Jehonatan,
   zoon van Abjatar,
   deze twee zonen van u met u!-

28


ziet, ik zal dralen

bij de oversteekplaatsen van de woestijn,-
totdat er een woord van bij u aankomt
   om mij iets te melden!

29


Dan laat Tsadok met Abjatar
   de ark van God
   terugkeren in Jeruzalem,-

en zetten zij zich daar neer.

30


David

klimt intussen de Olijvenhelling op,
   bij zijn klim wenend

met zijn hoofd omhuld,
terwijl hij barrevoets loopt;
allen van de manschap die bij hem zijn
hebben zich ieder het hoofd omhuld
en zijn opgeklommen, klimmend en wenend.

31


Aan David wordt gemeld en gezegd:

Achitofel zit in de samenzweringen
   met Absalom!

En David zegt:
verijdel toch
de raad van Achitofel, o Ene!

32


En het geschiedt,
   als David bij de top is aangekomen

waar hij zich zal neerwerpen voor God,-
ziedaar, hem komt tegemoet
   Choesjai de Arkiet,-

gescheurd zijn lijflinnen,
en –rode– grond op zijn hoofd.