Instellingen

32


En het geschiedt,
   als David bij de top is aangekomen

waar hij zich zal neerwerpen voor God,-
ziedaar, hem komt tegemoet
   Choesjai de Arkiet,-

gescheurd zijn lijflinnen,
en –rode– grond op zijn hoofd.

33


David zegt tot hem:

als jij met mij zult oversteken
zul je op mij tot een last worden;

34


maar als je naar de stad terugkeert

en tot Absalom zult zeggen
   ‘jouw dienaar, o koning, wil ik wezen,

dienaar van je vader was ik voorheen
en nu ben ik dienaar van jou!’-
vergruizelen kun je dan voor mij
de raad van Achitofel!-

35


zijn daar niet mét jou

Tsadok en Abjatar, de priesters?-
geschieden zal het:
alle woord
   dat jij uit het huis van de koning hoort

zul je melden
aan Tsadok en Abjatar, de priesters!-

36


zie, daar zijn mét hen hun twee zonen:

Achimaäts van Tsadok
en Jehonatan van Abjatar;
door hun hand zult ge aan mij zenden
elk woord dat je hoort!

37


Zo komt Choesjai, metgezel van David,
   in de stad,-

als Absalom
aankomt in Jeruzalem.