Instellingen

1


De koning is geschokt* In veel vertalingen begint hoofdstuk 19 in vers 2.;

hij klimt op naar de opkamer
van de poort en weent;
en zo heeft hij gezegd
   terwijl hij heen en weer liep:

mijn zoon Absalom, mijn zoon,
   mijn zoon Absalom!,

wie gunt het mij dat ik sterf in jouw plaats?,
Absalom mijn zoon, mijn zoon!

2


Gemeld wordt aan Joab:

zie, de koning weent en rouwt om Absalom!

3


Zo wordt de redding
   op die dag tot rouw
   voor heel de manschap,-

omdat de manschap
heeft horen zeggen op die dag:
de koning is bedroefd om zijn zoon!

4


Slechts steels komt de manschap
   op die dag
   de stad binnen,-

zo steels als
een beschaamde manschap doet
wanneer ze in de oorlog zijn gevlucht.

5


Met zijn aanschijn omhuld

schreeuwt de koning met grote stem:
mijn zoon Absalom!,
Absalom mijn zoon, mijn zoon!
••

6


Dan komt Joab
   bij de koning het huis in,-

en zegt:
je hebt vandaag te schande gemaakt
   het aanschijn van al je dienaren,

die vandaag jouw ziel
   hebben laten ontsnappen,

de ziel van je zonen en je dochters,
de ziel van je vrouwen
en de ziel van je bijvrouwen!-

7


door lief te hebben wie jou haten

en door te haten wie je liefhebben!-
want vandaag heb je gemeld
dat oversten en dienaren voor jou niets zijn,
ja, vandaag ben ik te weten gekomen
dat als Absalom leefde
   en wij allemaal vandaag
   gestorven waren,

dat het dán recht geweest was in je ogen!-

8


nu dan, sta op, ga naar buiten

en spreek tot het hart van wie jou dienen!-
want ik heb bij de Ene gezworen
   dat als jij niet naar buiten gaat

er geen man met jou overnacht vannacht,
en dat is voor jou een groter kwaad
dan al het kwaad dat over je gekomen is
van je jeugd af tot nu toe!
••